Herman Polak recounts his harrowing experiences during World War II, where he was hidden in multiple locations, endured loneliness, and coped with fear. Despite the hardships, a man from Landsmeer showed kindness towards him, eventually helping him reunite with his father after the war. Herman struggled with feelings of normalcy in the midst of chaos, finding solace in small acts of kindness and moments of joy, like being given chocolate by the mayor. The podcast sheds light on Herman's resilience and the humanity that prevailed even in the darkest times. His story emphasizes the importance of compassion and connection during times of adversity, showcasing the impact of small gestures in restoring hope and humanity.
Transcription
2727 Words, 15061 Characters
De radio-oranje met een buitenmodels-outsending voor de friehe zaterdag avond. De overheid heeft het publiek bevolen als het donker is dan moet het donker zijn. Dat mag geen enkele licht naar boiden zijn. We zitten al real monumenten van de stad Amsterdam. Mijn eerste bezoek in Amsterdam was in 1942. Als ik voor hier staat de filosoferen voor mijn mooie uitzicht op de keiserschacht, dan denk ik, hier ben ik eerder geweest, alleen toen liepen de kentje op straat en dat je luister was en die mocht de buiten spelen. En dan liepen duitsers op straat en daar moet ik voor wegvluchten. Want die wilden mij vermoren met gifgas. Het is een hele bijzondere manier om weer terug te komen. Maar ik heb het geluk gehad dat ik 18 dappere ambassose familie speeg. En daarom sta ik hier. En daarom heb ik 5 kinderen en daarom heb ik 11 klein kinderen. Herman Polak is terug. Sinds twee jaar woont hij in de stad die er voor het eerst bezocht als klein onderduik kind. De kranige tachtiger overleefde als kind in Duizelingweg in de Tocht langs 18 onderduik adressen. Je luistert naar de podcast bezet, audio monumenten van de stad Amsterdam. En ik, Pieterbast van Wiegen, ben hier op bezoek bij Herman Polak, een zenne partement aan de keiserschacht. Herman had zijn verhaal eigenlijk tijdens Open Yoatsenhuizen zullen vertellen, maar de coronacrisis maakte dat om mogelijk. Nu zit hij tegenover mij en vertelt hij open-heartig over de oorlog en wat het met hem gedaan heeft. Doe dat geschaal van het onderduik adress daar het andere. Van de ene lief hebben de duifboerder daar de andere, krijg je iets dat heeft. Dat heet dat word, dat ken ik ook in alle talen van Europa. Bindingsangst. Komit, vier of komitment. Ik vertrouwde genegenheid en liefde vertrouwde ik niet. Nou, te luik je vind je, je bedrieker getrouwd geweest. Ik ben uit te laten slecht in, in relaties. Maar altijd, eigenlijk wel ja. Ik ben heel erg wat trouwend, ik ben heel erg bang met houdere vriendinnen. Ik heb nou een vriendinnen die iets anders hebben overtuigd. Dat is nog echt heel veel mault. Ik moest ik dan pas gaan. Opal met een gezijk of niet. Ik ben geloven. Maar we hebben een super goeie relatie tussen ze, ze is praten ook liefdevolte. Ik ben lieve klein de jotje, dat kan ik van haar hebben. Maar een groot wat trouwende en enorme behoefte om te reizen. Je ziet dat hangt er aan de muur. Ik heb helemaal suffgerijst. En ik kreeg er ook nog geld voor ook. Het was mijn baan. Ik was baas van een klein afdeling. Ik werd er voor betaald. En ik krijg nu pensioen. Dus het was een leuke baan geweest. Maar ik had een paar jaar lang hebben we voor de look college in New York. En ging ik smiddag. Ze gauwers en smiddag trijden terug naar mijn hotel. En dan dier ik alwe kleren aan. En dan ging ik door New York lopen. En dan was niemand kennen me. Ik wist dat ik repustelt gieten. Ik was totaal al doeling. En dan ben ik dat voel ik wel gelukkig. Dan voel ik ben gelukkig. Bindingsangst en dwangmatige reisluist. Het liefste alleen. Herman met geboren in deventig. Als zoon van een leraar Engels. Het gezinpoelak was niet religieus. Eerder humanistisch. Vaderpoelak dacht zelf dat het wel mee zal vallen met die oorlog. Maar uiteindelijk laat hij zich door een zeker tan te tinen. Een verpleegste uitzandam overhalen om toch onder te duiken. Herman en zijn zus worden door tan te tinen naar Utrecht gebracht. De prezes van het utrese vrouwde kusidentdekor. Dat was een bevrouw. En hij heeft het truitje van lier. Die had al direct door. Het gaat helemaal fout. Hij heeft dus geld gekregen van haar vanaar. Her moeder was overleedig, een soort ervenis. En daarvan heeft zich gekocht. Een kinderd huis. Een grote villa. In het centren van Utrecht. Vlak bij de maaliboum. Bij de SS-zaad. En wij mussten het wonen. En we al dat tar wonen. Wat is slechte dingen in de oorlog. En ze heeft dat kinderd huis gekocht met een bedoeling. Ze kende via via via. Hij had ze ingaan tot een hoge duitsofficeer. En die heeft zich een onderhoud gevraagd. En toen heeft ze niet maar gezegd. Ik hoor. Ik zie. Ik begrijp dat er heel veel duitsen, soldaten en officieren. Relaties hebben met deelandse meisjes en vrouwen. En daar komen er tuurde uitkendetjes uit die relaties. Ze hebben een oplans door van jullie. Ik heb een kinderd huis. Kom een chill kinderd huis. En dan zijn die kinderen veilig. En die niemand ziet ze. En ze worden onzichtbaar gemaakt. En dan wat heeft ze toen gedaan? Die slipper ik. Die heeft dus al die halvduitsen, bastaartkentjes. Die heeft zich gebruikt als deckbouto voor allemaal jodse kentjes. Die is onderbracht. Herman en zijn zus zaten dus de Duits Nederlandse bastaartjes. Even ging het goed. Maar na een tijdje werd Herman vervelend. Ik was in die tijd. Ik was dat dus bed bij zus. En ik was tota oorhandelbaar. Ik was lastig. Ik begon me woerderte te missen. Ik was het klotsatje. Het was vreeselijk. Nee jongetje. Ik verschuurde alle boekjes. Ik maak het speelgoed kapot. Ik stoelt gewoon om. Ik was vier, vijf jaar. Ik begon gewoon om iedereen uit te dagen. En te trijten ging overal staat de plassen in hoek van de speelkabers. Ik was een klotsat van die jongetje. Mijn zus is toen het inslige gaan. En die is naar de huis gekomen bij mensen wat ligt het huis. En daar is ze eigenlijk gewoon een scholge gaan. En die heeft eigenlijk een goede tijd gehad. Dat de tieten heeft bij de Amsterdam gewacht. En daar begon dus het bekend van mij. Ik moet altijd een soort odc langs 18 onderdakerdressen. In odc langs 18 onderduik adressen. Die begon aan de Kloveniersburg wel 91-1 hoog. En daar bracht ze bij dat eerste onderdakerdress. En dat waren het dus trotskisten. En er fellert trotskisten. En die had tien kinder en 13 onderdakers. En die man die had dus op de Kloveniersburg wel drie vertiepingen van een gachthuis. Ten kinder en 13 onderdakers. En ik gaf ze te eten door iedere twee weken daar België te reizen. En daar checkt de vak te kopen. Die verkocht in Nederland. En die checkt de vak die smokkelde de geld zo in de grote buidel rond het kleine buik. In het bomvolle huis van een familiepelgromheerst en geautische sfeer. Het was een constant komen en gaan van onderdakers. Mensen kregen ruzie, weer andere begonnen sexuele relaties. En steeds was er die alles overheersende angst. Ons de Doerhark Herman bewoost rigt door deze hektiek heen. Ik was in het huis op de Kloveniersburg. We had een familiepelgrom, was ik lastig verveelde. Ik begon mijn moeder te missen. Ik werd niet geknuffeld, zoals andere kindertjes. K kindertjes die wel hun vader moeder bij zich hadden. Ik reageerde me af op de omgeving. Ik was lastig geveelend. Ik had een van de dingen die ik deed. Dat was tegen de deurspante op klimmen. En als ik boven was en liep iemand door die deur, dan liep ik me vallen. En iedereen zorgt er tussen de kleures. En ik had dan loon. En die paar pijlgrom die zegt dat die tien kindert. Dus die man die moet van kinderen gaan hebben. En een paar pijlgrom die zegt dat lastige verveelde jongetje. En die mocht niet buiten komen. Die komen energie niet kwijt. En die heeft in een keer meegenomen naar actus. En het leeft dat in waar hij mee bezig was. Mensen redden. En tegelijk had hij oog voor een verdrietig boos ongehoorzaam rotje jongetje. Die ze een energie niet kwijt komen. Ik weet niet wat we eerder gezegd hebben. Maar dit waren mensen paar en greep pijlgrom. Dat waren mensen van het moriel niveau als een nosomendeel aan. Dat waren mensen die de wereld een hele kostbare moriele ervings hebben nagenaten. De drang om te helpen voor ineens belgen was zo groot dat hij ook nog eten maakte voor andere in de buurt. Hij liet dat eten door een van zijn tienerdotig wegbrengen in actie die in de kijkhalie bij een stel Nederlandse agenten. Die agenten achtervoorten het meisje. En dwoongen haar uiteindelijk met een pistol in de rug haar huis aan te wijzen. Toen liep het is die deemige politiegerenten die hond kwam omhoog. En die komen wijzende joden, wijzende joden. En toen moesten alle mensen op een reetje gaan staan, moest allemaal ons bed uit. Iedere moest uit bed en iedere moest ze identiteitspapieren laten zien. Die had ik nu ook niet. Ik was veel te klein, ik was vijf jaar. Ja, die vrouwen zonder de grullen iedereen wist, dit is het begin van de ondergang. Dus er werd geen gilt, het was een toepde. En ik hoorde dat aan met Simonix. Ik vond het leuk. Ik vond het een beetje entertainment. Normaal moest ik om zeven al wachten bed. En nu mocht ik in elfie me bed huid. Het was onverwas entertainment. Ik vond het prachtig. Herman maakt het er steeds mee als een spannend jongensboek. Hij vergelijkt zijn eigen beleving dan ook graag, maar het jongetje uit de film La Vita et Belha. De oorlog als een spannend kattermauspel. Teegwoordig verbaasde Herman zich vooral over het menselijk brein in zo'n situatie. Dat je dus in het midden van een rampachtige situatie de goede reactie hebt. Ik stond daar. Ik begon door te krijgen dat het is vout de boel. En dan gaat iets naar eens gebeuren. En dan komen er duitsers. En achter mij stond een jodse meneer. Die heeft een aardie. Een aardie. Een aardie, die systeme in toe. Heren mannetje. Probeert er krug te krug te krug te krug in je bed. Nou, dat was niet makkelijk. Je doet een kamer die zo halft. Dan vies de groters deze kamer. En daar stond het dus. Dechten onder duikers. En al die kinderen. Het is een 23-24 mensen stonden daar. En dat deed ik. Ik deed het als een gedresseerde rat. Je precies weet hoe die wat je wel moet eten en waar je rat te geven op zit. Door doodstil onder de lakens te blijven liggen wist hermond te ontkomen. Maar hij kon niet me op de kloveniersburg wel blijven. Hij begon aan zijn tocht lang 16 andere adressen, waar hij vaak maar enkele dagen of soms weken mag blijven. In 1944, als er bijna geen joot meer in Amsterdam te vinden is, en ook het aantal onderduik adressen enorm geslunke is, wordt herman en verlaten pand aan de nest binnengebracht. Op de vierde verdieping lag voor mij in een ontdruimde speelgoedverbruik, koje je zien aan de ver en vlek op de grond in de bouwte en de moeren die er nog waren. Maar verder was helemaal leeg, helemaal ontdruimed. En op de vierde verdieping lag een matras en stond de po en een stond de fleswaten. En verder was een niks, waar geen speelgoed, waar helemaal niks. In ieder avond kwam de ondergrondse die kwam hij wat eet te brengen. En slags krioelde de muizen rond mijn matras. Alleen, zonder speelgoed en tussen de muizen begon herman te malen. Alle grootste wat verandering in mijn brein was dat het approbale te totale waaltzin, dat ik drie jaar binnenboe zit als jootje van vier, vijf. Ik begon een normaal te vinden. Ik ga of mezelf te schuld, ik zie je kloodzaak en je mag geen jootmoed te zijn. Want je mag geen jootmoed, zijn je buiten kunnen spelen. Dat is heel dombe geweest herman voor rak. En dat is iets dat is zo boerder uit te leggen. Dat je het applombale normaal gaat vinden. De man die herman in de nest dagelijks de eten bracht, kwam uit lands meer. En kreeg steeds meer medelijden met het kleine jongetje. Hij vertelde hem over zijn eigen dochter. We vroeg hem op een dag, of haar man niet bij hem wil komen wonen. En dat was eigenlijk een opluchting, dat was een gezellige zin. En iedereen had werd ik dus vorige lezen. Ik heb daar zet de klaasgeveer, de vierenveerter. Ik heb al die droppings daarmee gemaakt. Die droppings met voetsel met chocola en cigarette. En kookjes en vlesenblik. Voordjes en blik. En dat chocola die werd apart geleegd door het burgemeester. Dus ik heb het er eigenlijk heel goed gehad. Herman kon eindelijk weer gewoon kind zijn en eindloos buiten spelen. Zijn vader onder tussen was niet ver weg. Mijn vader werd helemaal niet jodes uit. Hij had een false pass in liep gewoon in zandam op straat. Hij had nooit problemen gehad. Vlak voor de tienden mij, of vijf de mij, hoorde hij dat er in lands meer. En dat was de 15 kilometer van zandam af. Hoorde hij over een klein jodes onderduk jongetje. Mijn vader was al drie jaar lang niet bij zijn zoon. Dus hij kreeg een verstormvloed van hoop gevoelers. Misschien is het mijn kind. Dus hij ging op 67 mee. Hij ging op een fiets met houtenwanden naar lands meer. Hij ging op zoek naar dat jodse jongetje. Wat er ondergedokken was. En hij zag er een zeer jodes uitzien jongetje. Dat speelde met een blondbeis. Dus hij ging naar dat jodse jongetje toe. En hij zegt hoe heet jij jongetje? Een jongetje was gedrillt. Hij was geleerd, nooit met vreemde praten. Het is of het Duitser. Of het Dennis Beer. Of het Nederlandse foutenpolitie. Dus weggehollen. Hulend, huilend. Die heb ik daar mijn duik moeder. Joke warm. Joke warmgehoor. Mijn vader was mij gevolgd. En hij wist zo'n geërende kwaar ik woonde. En hij heeft aangebeld. En hij heeft gevaagd dat jongetje dat. Wie is dat? Nou, dat gaat niet helemaal niks aan. De oorlog was net een of twee dagen afgelopen. De alle knopjes die hij er nog niet om. We wisten niks op het Duitsers weg bleven. Het was toch allemaal ontzekend. Dus zeer dat gaat helemaal niks aan. Hij lijkt toch op mijn zoon. En hoe heet u zo'n dan? Zei dus. Dit is helemaal niksje. Dus onze zoon is echt niksje. Zoon. We hier voorstellen. Het is een freksle jongens uit zijn jongetje. En er staat een grote, holen ze. Huisvrouw, die gaat staat dat te liggen. Het is mijn zoon. Goed, dus. Praten, praten, praten, praten. Nou, die omgeen. Liet ze dat toch overtuigen door die vreemde meneer. Dat hij de vader was. Mijn vader herkende mei ik zou je straks die foto's laten zien. Dus mijn vader stond tijdens de huilen. Ja, als een baby. En toen zei hij omgeen. En toen in die tijd was het al die chocola uit de containers die was verzameld. En die was er gebruik bij de burgemeester. De burgemeester had ze zeggen volgendwieken. Heren alle kindertjes van lance meer. Kijken een groot stuk chocola. En dat had ik me toch zo opvreugd. En toen zei je iemand. Ik neem jou mee. Ik won een zandam. Je bent me zo. En ik ben zo blij dat je nog leef. En ik ben zo blij dat ik je zie. En ik ben zo gelukkig. En toen zei ik. En ik ben hier minagen. Een wild vreemde man. Ik kende hem niet. Hij kende hem ook niet. En die stond dat te huilen. En die zei ik door zijn traan. En ik neem je mee. Ik zei ik ga niet met jou mee. Ja, waarom niet? Ik was chocola. *muziek* Uiteindelijk bleef Hermann nog een paar dagen in ons meer. Tot de grote dag dat er burgemeester van ons meer alle kinderen chocola gaf. Daarna ging Hermann terug naar zijn vader. Moeder en zes. *muziek* Je luisterde naar Hermann is terug. In podcast van Pieter was van Wieger. Gemaakt een opdracht van het Amsterdam's 4.5 militeen. En het jouwse cultureel partier. De muziek in deze podcast is afkomstig van de nieuwe CD van 's listeliediebleidorp'. Ik zou zeggen luister die plaat. En bezoek vooral een concert van haar, zodra dat weer kan. De podcast 'Audio monumenten van de stad Amsterdam'. Is onderdeel van de alternatieve programeen op 4.5 milij. We hebben meer podcast smaakt, dus luister voor 'Audio monumenten van de stad Amsterdam'.
Podcast Summary
Key Points:
Herman Polak's experiences during World War II, including being hidden in various locations and his reunion with his father.
Herman's challenging childhood experiences while in hiding, coping with fear, loneliness, and adapting to a new normal.
The kindness shown to Herman by a man from Landsmeer, who brought him food and eventually helped him reunite with his father.
Summary:
Herman Polak recounts his harrowing experiences during World War II, where he was hidden in multiple locations, endured loneliness, and coped with fear. Despite the hardships, a man from Landsmeer showed kindness towards him, eventually helping him reunite with his father after the war. Herman struggled with feelings of normalcy in the midst of chaos, finding solace in small acts of kindness and moments of joy, like being given chocolate by the mayor.
The podcast sheds light on Herman's resilience and the humanity that prevailed even in the darkest times. His story emphasizes the importance of compassion and connection during times of adversity, showcasing the impact of small gestures in restoring hope and humanity.
FAQs
Tijdens de oorlog was 'radio-oranje' van groot belang omdat het de Nederlandse regering in ballingschap vertegenwoordigde en berichten doorgaf aan het Nederlandse volk.
Herman Polak heeft de oorlog overleefd door ondergedoken te zitten op verschillende adressen en dankzij de hulp van mensen die hem verborgen hielden.
De oorlog had een grote impact op Herman Polak, die als jong kind ondergedoken zat en geconfronteerd werd met angst, eenzaamheid en verandering in zijn brein.
Herman Polak werd herenigd met zijn vader nadat zijn vader hem herkende en hem meenam nadat de oorlog voorbij was.
De burgemeester van Laren gaf alle kinderen chocola en speelde een belangrijke rol in het welzijn van Herman Polak en andere kinderen na de oorlog.
Chat with AI
Loading...
Pro features
Go deeper with this episode
Unlock creator-grade tools that turn any transcript into show notes and subtitle files.