Deze preek over Openbaring 5 beschrijft een visioen van Johannes, waarin hij een boek in Gods rechterhand ziet, verzegeld met zeven zegelen. Niemand in de hele schepping is waardig om dit boek te openen, wat Johannes tot tranen brengt. Dan wijst een ouderling op de Leeuw uit de stam van Juda, die overwonnen heeft. Johannes ziet echter geen leeuw, maar een Lam met zeven hoornen en zeven ogen, staande alsof het geslacht is. Dit Lam, Jezus Christus, neemt het boek uit Gods hand, waarna de vier dieren en 24 ouderlingen (die de verlosten vertegenwoordigen) voor Hem neervallen en een nieuw lied zingen. Dit lied gaat over verlossing door het bloed van het Lam, die hen uit alle volken heeft gekocht. Engelen en alle schepselen voegen zich bij de lofzang, maar alleen de verlosten zingen het nieuwe lied; engelen kunnen niet meezingen omdat zij nooit gevallen zijn. De prediker benadrukt dat dit hemelse koor op aarde wordt ingestudeerd, bijvoorbeeld in de eredienst. Hij roept op tot persoonlijke bekering: wie van nature het oude lied van wereldse vreugde zingt, moet zich afvragen of hij straks zal mogen meezingen in het hemelse koor. De hoop ligt in het Lam dat overwonnen heeft en verlost.
We lezen op een baaringen vijf. En ik zag in de rechterhand descheden die op de tron zat een boek. Geschreven van binnen en van buiten, verzeeg op met segezegelen. En ik zag een sterke engel, uitroepende met een grote stem, wie is waardeget boek te openen en zijn segelen open te breken, en niemand in de heemel nog op de aarde, nog onder de aarde kon het boek openen, nog hetzelfde inzien. En ik weet niet dat niemand waardig gevonden was om het boek te openen en te lezen, nog hetzelfde in te zien. En even naar ouderlingen zijdt dat mij we niet zien de leel die uit de stand van Juda is. De wordt al daaf iets heeft overwonnen om het boek te openen en zijn segezegelen open te breken. En ik zag en zie in het midden van de tron en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen een lam. Staande als geslacht hebben de zeven horen en zeven ogen, de welke zijn de zeven geest en gods die uitgezogden zijn in alle landen. En het kwam en heeft het boek genomen uit de rechterhand van de gene die op de tron zat. En als het het boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het lam neer. Hebben de elk cieters en goud en fiolen zijn de vorreukwerk welke zijn de gebeden der heiligen. En ze zongen een nieuw lied. We zeggen de geistijd waardigen boek te nemen en zijn zeven openen. Want geist uit geslacht en hebt ons goodige kocht met uw bloed uit alle geslacht en taal en volk en naatie. En gei heb ons onze god gemaakt tot koningen en priesters. En wij zullen als koningen heersen op de aarde. En ik zag en ik hoorde een stem, veeler engelen rondom de tron en de dieren en de ouderlingen. En hun getal was 10.000-10.000 en 1000-mal 1000. Zegendem met een grote stem, het lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen, de kracht en reiktom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging. En alles scheppsel dat in de heemel is en op de aarde en onder de aarde en die in de zee zijn en alles wat in de zoveel is, hoorde ik zeggen hem die op de tron zit. En het lam zeiden dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwagheid en de viediere zeiden aan hem en de 24 ouderlingen vieden neer en aan baden te gelen, die leeft in alle eeuwagheid. Ik ben tevrouw vanmiddag opnieuw luisteren, maar wat die er zelf nog meer doorvand zijn woord tot ons ze zeggen heeft. En we doen dat vanuit het boek ook een barring, hoofd stuk vijf en ik lees u samen vat het alleen op vers negen. En zij zonder een nieuw liet zeggen de geistheid waardig het boek te nemen en sezeren us de openen want geistheid geslacht. We hebben ons schoorde gekocht met uw bloed uit alle geslacht en taal en volk. En naartie. Het teem van de breken weet het misschien al, is veel heenvoudig. Heemel zangers. Een, het zankoor, twee, de zanktoon en drie, de zankstof, kun iedereen nog houden, denk ik. Heemel zangers. Een, het zankoor, twee, de zanktoon en drie, de zankstof. En ik zag in de rechter hand van de gene die op de tron zat. Zo begint hoofd stuk vijf en vers één. Ik ben met uw weten, denk ik, die ik in vers één, dat is Johannes. Hij is voorbannen naar het kleine eilandje Patmos en twijlijder is, zie hij iets en hoortheid. Je kunt dat lees in hoofd stuk vier. Hoist ik vier kunt u het lezen, dan zie hij een geopende deur in de heemel. En hoort hij een stem die tegen hem zegt, kom hierop. En ja dan daarna zit Johannes allerlei bijzondere dingen in de heemel. Hij ziet een tron met erop een persoon, met een overletter. Waarvan de glans afstraalt van een helder witte steen jaspis en de rode steen sardus. En rondom de tron ziet hij helemaal rondom de tron een smaaracht groene regenboog als een teken van Godstrouwen. Blijf in de tron. Dat is heel kort gezegd wat er in hoofd stuk vier staat. En als we nu van middag samen met elkaar in hoofd stuk vijf, met Johannes door die geopende deur in de heemel gaan kijken, dan zien we dat die persoon op de tron dat hij een boek in zijn rechter hand heeft zo staat er. En dat is het boek van Godstrouwen, van Godstplan met deze wereld. En daarin staan al die dingen beschreven die zullen gaan gebeuren voor dat je ze terugkomt op de wolken van de heemel. En de uitroep van de bruidszoek klingen zoals staat in oofzoek 19. Dat ons blij zijn hun vreugde bedrijven en hem de heerlijkheid geven. Want de bruiloft van het land is gekomen. En ik zag in de rechter hand van de persoon op de tron een boek en gemeente vindt het niet mooi. Dat Johannes is het boek van Godstrouwen, het boek van Godstplan met deze wereld in de handen van de persoon op de tron. Hoe zo is dat mooi zeg je misschien? Nou, omdat Johannes na dit hoofdstuk hier heel veel dingen te zien krijgt, verschrikkelijke dingen die je zullen gaan gebeuren op deze aarde. En jij wil het doen we heren nou, als Johannes dat voor dat hij het niet te zien krijgt. Dat zegt hij in persvijfse, ook in hoofstuk vijfseigdje eigenlijk tegen je, want als kijk je Johannes, jij zult straks alle lijden te zien en te horen krijgen waar je misschien wel bang van wordt. En waarin jij geen lijn kan ontdekken, maar bezig rust, Johannes. Want al die dingen die staan beschreven in dit boek en kijk, kijk, al die lijnen die komen uit op mijn rechte hand. Ik heb ze in mijn rechter hand. En gemeent, u snapt het is niet de bedoeling om hier nu heel lang bestil te gaan staan met, maar laat die rechter hand van de persoon op de tron voor u of voor jou, van midden op tot grote tron zijn. Laat het tot tron zijn. Wij kunnen op en onder de kans of soms zo bang worden. Bang worden van de dingen die gebeuren. Wij kunnen onrestig worden van al de onrust in deze wereld. Wij kunnen angstig worden van al die dingen waarin wij geen lijnen kunnen ontdekken in al die wereld van gebeurtenissen, in ons gezin, in ons persoonlijk leven, in ons huwelijk leven in de wereld om ons heen. Maar wij waar wij geen lijnen zien, daar ziet God wel een lijn. God kent die lijnen in u en jou in in mijn leven. En hij regiert erover. Als ik al me voor het uit dat boek wat hij in zijn rechter hand heeft. Maar ja, je hoeft niet alleen iets in op stuk vijf, nee, je hoort ook iets. Wat lees, maar wat de staat in verschreden kunt dit zien. In eens wordt hij het aarend Engel uitroepen wie is warregen het boek te openen en zijn zeegers open te bregen. Ik zou dat boek dat zit dus op slot. Dat zit de zeegers op. Het is ook een ding gezegbaar. Dat boek dat zit op slot en nou wordt er gezogt daar in de heem aan iemand die het wat is, die bevoegd is, omdat boek van God's raten openen en die heemels de tron reden als het warre voort te lezen. En die raten van God, dat plan van God met deze wereld, omdat het uit te voorde. En zoekers en zoekers en zoekers en hand wordt versdrie lees maar. Niemand in de heem ook. En niemand op de aarde. Was het waten om het boek te openen? Ja, dan past Johannes versviel, lees het maar. Dan past Johannes en neezin trahen uit. En je zou misschien vermiddels gegaan, maar waarom houdt die Johannes toch zo? Nou, als nou niemand dat boek aan openen. Als die zeven zeerers en roblijven zit op dat boek. Ja, dat is altijd plan van God met deze wereld ook nooit in vervullen.
dan zal die bruilof van het land ook nooit aanbreken. En dan zal er ook nooit een nieuwe heemel en een nieuwe aardekomen waarop gerechten gaat woont. Kortom, mensen als het boek gesloten blijft, dan valt het hele welbare van God, die goede wil van God het redding, van verloren zondar en zonder resten, valt in enker in dag. Lijft niks meer van over en daarom rollen bij Johannis als het ware de traan over zijn vangen. Maar hoor, vers VV. Dat klinkt in een system van een oude link, die tegen Johannis zegt. Weet niet. Houd maar niet Johannis. Want zie, de leuw, die uit de stand van Juda is, de wordt of om daarvirt. Heeft over een woonde om dit boek te openen en zijn zeevacegels open te bereken. Wat zie je om er stand? Ik moet goed luisteren. Die oude link die zegt, zie de leuw uit de stand van Juda. En dan kijk Johannis en wat zie je dan voor je vissess? Nou, er ziet er geen leeuw, maar er ziet er in een lamp. Er ziet u als tware voor u. We zien aan de ene kant die tron van God met daarom heen die vier dieren, dat zijn die vier machtige engelen uit hoofd, vier, vers acht. En dan aan de andere kant, dan zien we daar die oude linken staan. Zijn de vier en twintig zo staat in vijs acht. En ze zijn een beeld van alle verlostergeloveren. En dan tussen God en die die verlostergeloveren, dan zien we met Johannis vermiddag dat lamp staan. Staande als geslacht zo staat. Een gemeente probeer mij te reken, wat in bijzonder beeld is dit. Wat een bijzonder beeld wordt ons vanmiddag voor oog geschilderd. We zien een lamp. Een lamp, weet het nog van van morgen. We zien een lamp met wonden. En die wonden zijn vanmiddaghousel, monden die het ons toeropen. Ik ben de leeuw uit de stand van Judah, die me als een lamp, de slachtingen blaad te lijden. Maar zie, ik sta hier tussen God en al die verlostergeloveren. Als een teken dat ik niet in de dood ben gebleven, maar dat ik ben opgestaan uit de dood en dat ik leef tot in alle eeuwenheid. En wat een troogst is dit. Dat heeren dit aan Johannis en ook voormiddag aan ons hier in doordreglaat zien. Niemand in de heemel. En niemand op de aarde was het waard om dat boek te openen. Maar de leeuw uit de stand van Judah, die tegelijkertijd het lamp is, was het wel waard. Hij heeft de dood en hij heeft het graf overwonen. Hij staat daarin de heemel, zo ziet Johannis hem, tussen God en tussen die verlostergeloveren. Met zeven horen en zeven ogen als een teken van zijn maart en van zijn alweerd en tijf. En hij is het waard om dat boek te openen, want zie je maar wat er gebeurt in verzeven. Hij staat het ook he en hij kwam het landus en hij heeft dat boek uit de recht erand van de gene die op de tron zat genomen. En ja, als dat land van God dat boek dan neemt, als het boek van God's raad over gaat van waardehanden in de woorden middelijshanden, de woorden middelijshanden van het land van God hier, Jezus, Christus, dat de zonde de wereld heeft weggenomen, dan begint het ineest de daarente jugen in de heemel. En te midden van al dat gejug horen we dan in Versnegen, ook ineens een nieuw lied klinken. En misschien zegt hij vermiddag, "Hey, waarom een nieuw lied?" "Warom een nieuw lied?" "Wat was dan dat oude lied?" "Het er kunt u lees in hoofd stuk viering, denk ik, verschellevart maar over gezegd." Daar klinkt het lied, dat oude lied tot eer van Godeschepen, die alle dingen heeft geschapen zo staat daar. Maar u weet het, na de schepking ging het helemaal miss. En klonker ging lied meer tot eer van Godeschepen, maar een kak of een lie van ruus, van volgens het tonen tot oneer van onze schepen. Maar nu in hoofd stuk vijf, klinkt er ineens een nieuw lied. Niet op Godeschepen, maar op die hier in Jezus Christus als de hertschepen en als de Veloster. En zij zongen zo'n staden een nieuw lied. Een nieuw lov lied op de leel uit de stem van Juda, die daar staat als een verwond land voor de tron van God, met het boek van God's ratings en handen. En hortjes en zingen vers negen. U bent waardig dit boek te nemen en zij zeer los de openen, want u bent geslacht en nu hebt ons groter gekocht met uw blot. Trouwens. Wie zijn dat eigenlijk, die dat zingen? Nou, dat zijn die 24 oudeling uit Versach. Dat zijn die geloven geverlosten. Die ingegraan zijn in de eeuwe geheerlijkheid. En die zingen een nieuw lied tot er van dat land dat hun zonde op zich nou. En gemeent als ik dit zo hoor en als de varen vormen zie, als zie ik iets bijzonders. Ik zie geloven geverlosten die in de heemelen nieuw lied zingen tot er van het land. Maar ik zie op aarde ook verlosten zingen. Want luister maar naar wat de dichter van Psalm 150 zegt. Die zegt, loopt hot na zo meenig blijkt van zijn heerde koning krijken en konterd voor zijn troon. En hier in doordrecht beneden. En vindt u dit geen bijzondere gedacht? Dat nieuwe lied van wat die verlosten daar zingen in de heemel. Die zingen dat daartt het eer van het land. Dat hun met zijn bloot heeft gereinigd en gekocht. En dat wordt, hoe zal ik dat zeggen, dat wordt hier op aardal een beetje in doordrecht ingestudeerd. Voor zijn troon en hier beneden. Hier beneden wordt het ingestudeerd. Het wordt gezongen voor zijn troon en gemeent als ik dit zo vormen zie en hoor. Dan moet ik denken aan wat iemand ergens zegt. Dat is heemelwerk. Maar het mogen op aardal een beetje doen. En als we dat dan doen, zegt hij, dan zit daar iets in van de nagelands van het paradijs dat ons hart kan raken. Prachtig, toch? En dat kent u het niet? Het kan soms soms zijn dat er helemaal niets mee bij je binnenkomt. Dat alles wat God tegen je zegt, zomaar langs je heen gaat, dat het je hart niet raakt en dat je de koud onderblijft en dat kan gebeuren. En dat kan het ook maar zeggen hoe zijn dat het ineens anders wordt. Dat het ineens breit van binnen. Als je bijvoorbeeld ineens je lievelingslietoord zingen. God heb ik lief van die gerterouwen hier. Kan er zomaar ineens zijn dat het hier van binnen weer begint te branden? Dat het tran hier in de oog is springen. Als je gezongen wordt, dan ga ik op tot God, tot God, tot God, mijn God. Het is een rond van vreugd, omdat je dan ineens erin het wordt, aan je vader en moeder, die zoveel sterven het hebben gelegen. Zo de heen, maar dan je gingen. Nou ja, we snap dat misschien denk ik. Misschien dat kent u het wel. Zingen tot eer van dat land dat overwond en dat nooit laat varen wat zijn hand begon. Het kan je hart raken, het kan de deur van je hart door de heilige geest weer openen. Voor zijn tron en hier beneden. En zij die verloster geloven kan zij zongen een nieuw ligt. Maar dat liet zweld aan.
Eerst lees maar in Vers Elef, eerst komen de Engelen erbij. En dan verset het in, alle schepsselen dat in de heemelen dat er ook te aarde en onderdaarden in de zes. En die ziet het voor u, denk ik, toch? Dat hele heemelkoordat zwelt aantal een geweldig grootkoord van miljoenen Engelen, en van andere schepselen en van die verlostig gelovenen, en gemeente wat een daarent heemelkoorderbevormedig daar in de zingen. Nou nee, niet nee, goed lees. Ja, het is wel een koor, maar ze zingen niet allemaal. Want lees maar is goed wat er staat. Van die verlost te starten dat ze een nieuw lied zonnen, maar die Engelen die zingen niet. Die zeggen best wel wel wat, met een grote stem. Maar ze zingen niet. Die Engelen gemeente, die vormen als het ware, een soort sprekhoord. Die Engelen, hoe zal ik dat uitleggen? Dat wordt dat helemaal ze hierleger genoemd, dat zodatenleger. Nou, die Engelen die behoorden bij het helemaal ze hierleger en die skanderen als zodaten. En al die andere schepselen, zoals Johannes, investeert in, die hoorde ik ook niet zingen, maar die hoorde ik zeggen de verlost die zingen, maar de Engelen niet. Ah, misschien zeg het u domen en met een beetje verzonnen natuurlijk, van uw klein beetje enig kunnen, voor middag. Ik heb altijd begrepen dat Engelen zingen. Horen we dat ook een keer met Kessweest, horen we die Engelen zingen in hefretasvelden, in Erens en Godt in de hoogste, heemelen en vrede op aarde. Ja, het staat er niet. Ook in Luukwaar 2 staat niet dat die Engelen zingen, met dat er een heemers hierleger is, en heemers zodaten korps van Engelen dat Godpreis, zegende, Erens en Godt in de hoogste, heemelen. Engelen, ze vormen een spreker met Godtskinderen, maar Godtskinderen die zingen. En terwijl Godtskinderen zingen, dat nieuwe lietszingen, zijn die Engelen steel. Abtje dat? Terwijl die verlost die kinderen van God gezingen, zijn die Engelen steel. Trouwers, waarom zijn die Engelen dan steel? Ja, dat komt door de litigie, dat komt door het thema waarover gezongen wordt. Want ja, waarvan zingen die verlost, he? Nou, hoe die zingen tot eeuw van het land van Godt en verlost, dat versnegen, u kunt het lezen, zich voor hen heeft laten slachten op het kraus oude op golgota, dat er heeft gekocht met zijn blot en die Engelen, die kunnen daar niet van meegspreken, ook niet meezingen, Engelen die mogen Godt om het plan van zijn verlosting prijzen, op in de velder van Everta. Engelen die jij hebt bij de Eres gestert in zijn lijden in Dolfond-Getzenen, Engelen die mogen het blot van Christus bewonderen, maar Engelen kunnen niet spreken over gekocht zijn door het blot van het land, want ze zijn niet gevallen, daarom zwijgen zo. Machen vallen zondazen die verlost zijn door het blot van onze Eres Christus, verlost de zondaren voor wie die wonden van Christus monden zijn, die tegen hen van mij daar zeggen, kijk, mijn kind daar doordreigd, zie de lit-tekens van mijn wonden, ik draag ze om uw zonde. Voor hen is er alle reden, om tot eer en tot lof van het land te singen. Oh, halleel dua, laat ons blij zijn, en hen die ons gekocht heeft met zijn blot de eer en de heerlijkheid geven die hem toekomt. En gemeente vindt u dit misschien is het wat moeilijk, ik weet het niet, maar vindt u dit geen indrukwekkend tafelreer wordt ons voor midden vooral gewoord geschilderd. We horen die 24 oudelingen die symbol staan voor al die miljoenen verlosten, we horen ze voor middag zingen. En daarna horen we het geluid aanzwellen van dat scanderende sprekort, de miljoenen engelen en er even later vallen alle schepslendien de heemel en die op de aarde zijn en onder de aarde en in de zee zijn. En dan enees loopt alles wat aan hem heeft, dat loopt er in de heemel, de heerlijkheid, scanderend, zingend en sprekelt. En gemeente als ik dit als het ware zoveel me zie, dan moet ik denken aan wat spuusje ooit heeft gezegd. Die was zo verwondend en die was zo dankbaar dat hij zoveel genade en zo verliefde van de heerlijkheid gekregen dat hij in een sprek zijn. De midden van die grote scharen heemelzangen zijn de heemel van heilige voorgotstroon hierboven. Zal eerst ik het allerluidst gott vrij goedheid in Christ is loof. Maar ja, de kerk uit ging, en spuusje naar de dienst waar ik kwam, stond er een vrouw op om te wachten, een oude ervrouw. En die zei spuusje, ik was het niet helemaal eens met je sprek. Ho, spuusje toen. Heb ik dan verkeerd gezegd? Nou weet je, jij bent nog jong, hè, maar ik ben nou ouder. En ik heb daarmee nog veel meer reden dan jij om gotten loofen. En daarom zal niet jij, maar zal ik het allerluidst mijn gott in Christ is loof. En nu begrijpt het gemeent. Begrijpt u dit, begrijpt u iets van deze verwondering. Begrijpt u iets van deze verwondering. Oet van die dambaheid over zoveel omgevangen, genaarde en liefde die je van de heerige kreegnet bedoelt met de dichter van pszon 130 en grij mijn ziel daarin door de recht loopt grijbouw van ho. Prachtig, wat een koor, wat een heem ons anders. Maar de vraag is natuurlijk wel vanmiddag. Horectano ook bij. Horectano ook bij. Zalctano straks ook bij al die blijden zanger staan. En op het allerluidstingen van Godschoudertieren heen. Met een wit kleed en de pantak van de overwingen mijn hand. De zinnen u bent waardigd omd vangen, oh, land van God, zalctano ook zijn. En dat is wel een belangrijke vraag toch, jongeren ouderen. Want het litmaatschap van dit heem ons koor van heem ons angers, dat is niet vanzelfsprekend. De bijbol liert ons dat wij van natuur niet dit nieuwe lied zingen zoals wij geboren zijn. Niet het nieuwe lied van onze eeuwe gevolosting zingen. Nee, weet u welk lied te bedanzingen? Dat ouderlit. En wat is dan dat ouderlit? Want u het weten staat in de bijbol. Wil het u het ouderlit weten wat we zingen van natuuren? Dat is een doodomers. Die klingt zo. Laat ons eten. Laat ons drinken. Laat ons vrolijk zijn. Want morgen sterven wij. En daarom is het belangrijk liever mensen, jongeren en ouderen, om ons zelf van middag heel persoonlijk te vraagt te sterven. Dan zal ik nou ook eenmaal mee mogen zingen met die heem ons angers. Dan zal ik ook eenmaal op die oefen staan van de glazen zegen. En daar het lied, schoonstelit van mijn koon in zinnen. En gemeent, als het nou gaat om de aanbeantwoording van deze vragen, dan heb ik maar één hoop van.
van je dag. En dat is deze dat u straks allemaal uitgenade om je, z'n zwill, litbent of litmag worden zijn geworden van dit kool van Heem Monsangens, dat u straks niet eentje uit de gemeente van deur de reg. Hoort gemist zou het of er zijn, niet eentje. Een beetje als die hier over gaat, dan moet ik denk aan dat er niet eentje wordt gemist aan een mandy op zijn sterven uitlag. Had als een kinderen bij zich groepen. Tun als een kinderen bij waar een toezij die lieve kinderen, ik hoop dat bij de verschijning van die hierjes is op de wolken van de heem, ophazies. Dat jullie moeder en ik, jullie daar allemaal weer zullen mogen vinden te midden van al die heilig. Dat jullie ons, jullie moeder en mij, daar te gemoed zullen komen met het gezang op jullie lippen van de heewel geverwasing. En dat was samen als gezin, nie is er de mogen knielen voor de tron van het land van God om hem tot in alle heewelheid te danken, prachtig toch mensen. Als je zo je kinderen op je haar draagt, vind je niet? Een kinderen van God voor mij daar. Ik kan me zo me voorstellen dat je dit voor mij er gekend dat het u hoopt en u gebedt is. Dat straks niet, dat er uit de gemeente niemand is achtergebleven, niemand ze worden gemist, maar dat het veel minog u gebedt is, dat er niet eentje uit u gezin zou worden gemist. Dat je straks he, tussen al die heem ons aan is, niet alleen dat kinderen zou vinden, wat nu voor mij dag nechtjes naast je zit in de kerk, maar ook dat andere kind. Dat kind, dat niet meer naast je zit, dat kind, dat ook niet meer in een andere kerk zit. Dat je nog wel steeds gebed voor hebt, dat je dan straks kan zeggen daar, tussen al die heem ons aan is. Dat je dan straks kan zeggen, jij bent er en jij bent er? En kijk nog toch eens, en jij bent er ook. Jij bent er ook. En wat denk je, zal het u bleidsschap niet verdubbelen in de heem? Als u heel u gezin daar in dat heem ons kord tegenkondt, en zult u dan niet op het allerluitszingen en de heeren loven over zoveel ontvangen, onverdien de liefde en genaden, dat u met uw hele gezin mag neerkennelen voor de tron van God en van het land, ik geloof het vast en zeker en zij zong in een nieuwe lied. En gemeenten, dit is best bijzonder wat hier gebeurt. Ik bedoel eigenlijk dit, hier wordt gejaugd bij voornbaard. In de heem of wordt gejaugd. Een lied van over de winning als het ware gezong. En zij zingen bij voornbaard, ik bedoel dit, er moet nog heel veel gebeuren zoals je wanneer zit te zien krijgt. Er zullen nog allerlei verschrikkelijke dingen gebeuren op deze wereld en over deze wereld heen gaan, voor dat die nieuwe aarde en die nieuwe heemel en die nieuwe aarde zullen zijn. Waarop gerechte geids zou worden. En toch zit je wanneer hier al, dat er in de heemel bij voornbaard wordt gejaugd. Er wordt bij voornbaard gejaugd in de heemel, omdat ze het in de heemel vast en zeker weten dat niet het duivel, maar dat er nu uit de stand van Juda, de hele overwinning over de duivel, zo baarden. Er wordt bij voornbaard gejaugd, omdat ze vast geloven, dat het plan van God, door het lang van God, tot een goed eindige beracht, zo worden. En zij zongen een nieuw lied, we gaan dan onze tweede gedacht en de deur gedacht is kordesjuuf, niet ongerust worden partijk. En zij zongen een nieuw lied gaat over de zantoon. De zantoon wordt gezongerde miljoenen monden, maar in Versachs staat nog iets bijzonders, moest lezen. De stad op een gegemen, dat die 24 oudelingen, die staan symbiol voor die miljoenen voor los te daar zo, en die hebben allemaal een citer en goude fiolen en veel ruikwerk. En ziet u dat zwaren voor u? Ze hebben allemaal een eigen citer, dat wil zeggen, ze hebben als ze het waren, allemaal een eigen harp, moest ze tokkelen. Een kinderen van God. Het is natuurlijk mijn beeldspraak, maar ik vind dit zo mooi en zo bijzonder om te lezen eigenlijk. Er ligt kinderen van God, er ligt kinderen van God voor u in de heemelen een kronklare die alleen past op uw hoofd. En aan het avondmaar van de bruiloft van het land is een stoel gerezeveerd die alleen voor u bestemt is. En er is in het vaderhuis een woningbreid, waarin alleen u mag wonen. En er is in de harp een heemige reizenveerd waarop alleen u mag tokkelen. Staten en zade, elk een eigen harp. En tijd is de voorbereiding hier van Blasiek iets moois. Iemand schreef, ik denk dat als ze gesproken wordt over dat elk een eigen harp had, dat ik straks niet alleen maar meezal zingen in dat gezamenlijke heemelkoren van heemelzangers, maar dat ik ook, ja, hoe zal ik dat zeggen dat ik ook apart op mijn eigen harp zal tokkelen en zingen van mijn persoonlijke weg ideeër met mij eens gegaan, dat ik ook apart zo zeg jij van alle anderen. Met de zon ton van aanbidding, een lovlied op mijn verlossere zal zingen, vanwege de persoonlijke ervaring die ik met hem heb, dat ik net als David als het ware op mijn harp zal tokkelen en zo zingen over de aan mij heel persoonlijk bewezen zondagsliefde, dat ik op hoog getoen, dat is de zon ton, de eer en de lov zal bezing van het land dat mij als de goede herheden heeft gezopt en gevonden, en dat ik al tokkelend op mijn harp, op hoog getoen, het wonder zal bezingen, dat het land als de goede herheden voor mij, voor loren schap uit doordrecht, zijn leven heeft gesteld en mij met zijn bloeds heeft gekocht, dat ik al tokkelend op mijn harp zal zingen, van wat het land mij gaf en mij vergaaf. Nou, hij snap dat de gene die dat schreeft, hij deed dat natuurlijk vanuit zijn eigen verbeelding, maar hoe dan ook één ding is zeker hoe we daar zelfs zijn, één ding kinderen van Godsel daarin vervulling gaan, dat ik en dat is wat ik hier op aarde zo vaak heb gezong uit zom on het 16, ik zal u al mijn liefde waarde schatten, ik zal liefde en lov voor u het en of er brengen in het heerlijk don daarin de heemel waar alles verlost de volk verzadet, verzamelten, vergaadet is, al zingen en tokkelend op uw harp, zult u in het midden van de gewoon, Psalm 188 op hoge tone, uw Godtinkristenziezes met psalmen, prijzen en zade elk, hun eigen harp. We zijn er nog iets.
Dat zijn violen. Dat we zeggen dat zijn schalen vol van reukwerk, welke zijn de geweden van de heiligen. Ik ben een beetje verzichtig met wat precies bedoeld wordt met bidden de verlosten in de heemel. Maar over 1 ding zijn de meeste verklaren zit wat 1. En dat is dit. Dat de verlosten in de heemel op de een of andere manier nog betrokken zijn op dat wat er gebeurt op deze aarde. Of anders gezegd, er is een bepaalde band tussen de triunveelende kerk en de strijdende kerk hier op aarde in doordrecht. Bijzondere gedacht trouwens, weree Jezus die biedt voor zijn kinderen in de heemel. En de verlosten geloven die de strijten boven zijn, die bidden ook. Ze bidden en ze zingen een nieuw lid. En gemiddig zat zomer te denken, wij hebben het een keer van gezongen, wij zingen 150 zongen. Was er zometeen de heemel niet meer zijn? Daar worden geen 150 zongen meer gezongen. Maar zo niet. Nou ja, snap je wel toch denk ik. Als er niet meer gezongen worden, ik heb mijn tranonder het klagen tot mijn spijzen dag en dag. O, mijn ziel wat buit, guneider, waartoe zij het gingen. Nee, wat daar niet meer gezongen? Als je alleen maar lofliedere gezongen wordt, lofliedere zullen daar klingen tot eerd van het land. Die zangt om, maakt daar nu muziek. En tegelijkertijd zal er de zangtoon klingen van een aanbiddingslied, want lees maar wat er staat in verspreting, goed lezen. En zij aan baden de gene die leeft in alle eeuverheid. Trouwens, weet u wat het verschil is tussen danken, loven en aanbidden? Ik zal het u proberen duidelijk te maken en de hand van een voorbeeld voor de kinderen. Kinder jongen mensen, wat is danken? Nou, danken doe je bijvoorbeeld als je een bijzonder kudook krijgt van je opa, van je oma. Dan kijk je naar die gifte in je handen en dan zeg je, danken je wel dat ik dit voor nu krijg. Bij danken ben je heel blij met dat wat je krijgt, met de gifte. Bij loven is het anders. Dan kijk je niet alleen of niet in de eerste plaats naar de gifte je krijgt, naar dat kudo, dan kijk je naar de geever. En dan zeg je, nou, niet van u krijgt. Nou, zo is het ook als je gott loopt. Dan kijk je niet in de eerste plaats naar de gifte, dan kijk je naar kud zelf naar de geever. Maar aanbidden mensen versveken is meer. En aanbidden gaat verder. In aanbidden zit iets van helemaal opgaan in God, niet om wat hij geeft en ook niet om wat hij wel of niet doet. Maar om wie hij is, in aanbidden zit iets van God, van God voor God neervallen en diepe verondering en zeggen, oh, hoe groot, hoe schitterend, hoe rijk, hoe volledig er bent u? Wat bijzonder eigenlijk. Als ik God in de heen om mag aanbidden, dan klinkt het woordje ik en ons niet meer. En dan is het alleen maar u, u, u, u alleen door het eeuwig welwagen. Touwens, heeft u zelfs geprobeerd? Wat? Nou, om die heren te danken. Sonder te bidden. Het is best moeilijk. Moet het maar eens proberen om de heren alleen maar te danken, zonder te bidden, zonder iets aan hem te vragen. Ja, weet u wat nog moeilijk er is? Dat is de heren aanbidden. Het is moeilijk om niet één keer het woordje ik of ons te gebruiken en alleen maar te zeggen, u, Oh, hier. U, uw handen. U, oh. U, mond. U, hart. Oh, hier, wat bent u een groot en heerlijk choc. Nou, ik zou zeggen, probeer ik maar eens, want in de helemaal doen ze het ook. Snap je? Als je hier de zangton van het zangkoren, ze zingen naar Lofliet en naar een widdingsliet, ze hebben reden voor de gelijkertijd het laatste aanlogspuntkort. De zangstof. En ze zongen een nieuw liedzo staten dan, versneeg en. en als ze dat dan doen, dan is dat niet zo dat ze zeggen, "Van nou, weet je, laat nou, allemaal maar eens een keer je mooi versje opgeven." He? Eerst geef jij een versje op en dan geef jij een versje op. Nee, ze zingen naar Lofliet, ze zingen aanbiddingsliet met een reden. En wat is die reden dan? Nou, kunt u lezen, versneeg. Want u bent geslacht, dus de eerste wordt je geslacht. Want u hebt ons gekocht. De 2e wordt je. Want u hebt ons gemaakt, dus de 3e keer geen omgeluid kunnen u de kond houden. Want u bent geslacht. Want u hebt ons gemaakt. 3e keer geen, dat is dus de zangstof van die helemaal zangers. En wat een prachtig en tegelijkertijd aan grijpend lied is dit. Want let eens op dat eerste wordt je. Want een verschrikkelijk wordt je stod eigenlijk. Dit wordt dodenken mensen aan een geweldade gedoot. En ja, zo zien die verlosten daar in de heem, die leeuw uit de stand van Jude daar ook staan. Ze zien hem staan als geslacht door het mess van God's recht. Ze zien hem staan daar in de heem om met de lidtegens van het vuur van God's oordeel over de zonde, over onze zonde. Ze zien hem daar staan als een land dat wit was. Maar het rote werd door zijn eigen bloed. Want dat zijn bruut hier in doordrechtet zou kunnen zingen. Mijn liefste is blank en hij is rote en draagte benien boven 10.000. Dat is geen reden tot sangstof. Volgende woord, u hebt ons gekocht. Niet met goud, niet met silvers, niet met euro's, maar met uw koos bij bloed. Ja, kinderen van God is dat geen reden tot sangstof. Als u een mag weten dat het land, u of jou die in zonder slaaf was vrij gekocht heeft, zoals mijn vroeger een slaafrijkocht. Maar weet je vroeger kocht met een slaafrij, hè? Maar gemeenten van doordrecht, Jezus deed meer. Kijk tegen die vreigen gekocht, de slaaf, vroeger. Dat werd gezegd zo. Dat kun je vrij, dat bij je vrij en dat kun je gaan staan wat je wilt. Maar zo deed onze barremart er gezalig maken, Jezus het niet. Hij kocht die verlost uit doordrecht niet vrij. Met de gedachte van nou naar bij je vrij en dat kun je gaan staan wat je wilt. De hele Jezus heeft aan die vrij gekocht in doordrecht. De gelijkertijd was de heer Mosse Brouder om zijn hart laten zien. Het zijn door stok hart, het door stok hart van de man van smaarten. En de heeft die aan die verlost die hier in doordrecht, aan zijn bruit, heeft hij haar zijn lief te verklart. En niet gezegd van nou, dat heb ik je vrij gekocht en dat mag je me gaan. En dan zeg je, ik heb je vrij gekocht en dat mag je me bruit worden. En gemeente vind je dit geen wonder. Wij kopen geen bruit. Waarin die tijd was het gebruikelijk.
Dat er een bruidschat werd betaald voor een bruid. En hoe hoger de bruidschat was, hoe meer waarde die bruid voor de bruide kom had. Nou en als, nou dat land van God, de bruidschat nou zo kostbaar was voor hem. Dat hij het met zijn bloed heeft betaald die bruid. Voor die in zich zelfs wat de bruids kerk hier op aarde. Als u ook bruid uit doortrecht, nou zo veel waarde heeft vaad voor het land van God. Dat hij u gekocht heeft met zijn bloed. Is dat dan geen reden van middag en straks in de heem op voor eeuwig aanbeding? U hebt ons schoorde gekocht met uw bloed en u hebt ons gemaakt. Dat is het derde woordje tot koningen en prijses. En hoe bijzonder is dit? De leeuw uit de stand van Judah. Die heeft als het land niet alleen de zonde van al die verlosten uitgewis, die geeft niet alleen genade, maar er geeft ook eer. Hij maakt die verloster staat in de tekst, he, tot koningen en tot prijsters. Ze zijn niet alleen gekocht, maar ze worden gekroont tot koningen. En tot prijsters of de aarde. En wat een ongekende eer is dit voor die verloster. Ze worden vooral tot de heemelse aarde en de heemelse prijsters stand. Om straks voor eeuwig als koningen te geerzen, zo staat in openbaring 22.25. En is dit geen reden voor het zingen van een lof, van een aanbindingslied en te zeggen, eren zij aan hem, wie ons liefde ons bevrijd van alles met. Eren zij aan hem die zondags in de rij van koningen zet. Daar gemeten ze hier het koor van heemelsangers. Ze komen overal vandaan, zo staat er uit allergeslag, taal, volk en naartie. Maar lieve mensen van middag. Dat koor is nog niet compleet. Hij wordt nog sang als gemist in dat koor. En als u of jij dat bent, dan zou ik van middag tegen u of jou willen zeggen, meld je aan. Vandaag nog. Bittet tot hot. Of hij u, of hij jou uitgenaan om Jezus wil. Van een heller gang, een heemelsanger wil maken en bezigerust. Denk niet dat als u of jij zich aanmelt, dat het tegen u of jou gezegd worden. Voor u, of voor jou, is er geen plaats in het koor. Want lees man wat de staat in of het u's even was neeg. Er staat dat dat een schare is, die niemand te lachen. En daarom lieve mensen zorgen dat u zorgen dat je straks bij bent. En ja kinderen en jonge mensen, dit geldt ook voor jullie van middag. Weet je, kinderen jonge mensen luisteren, aatsen koren. Ik weet niet hoeveel koren jullie hier hebben en door de rechten koren, die kennen een leeftijdsgrens. Kofen van vijf tot twaalf, van twaalf tot twinter wil ik het. Maar kinderen jonge mensen, dit heemel koren, kent geen leeftijdsgrens. Dus als u 90 bent inmiddels, kun je nog aanmelden. Maar als u vijf jaar of vier jaar of zes jaar bent, dan mag je ook om meezing in de feymel koren. Daar bovenjaart een groot schaar van kinderen, voor godstroom. En daarom zeg ik ook tegen jullie van middag. Kom, zorgen nou dat je erbij komt. Want er is nog plaats. Plaats genoeg, dus al, die blijden, zang eens. Ik wens het jullie allemaal vanuit de toek. Amen.
Podcast Summary
Key Points:
Johannes ziet in Openbaring 5 een boek in Gods rechterhand, verzegeld met zeven zegelen, dat niemand waardig is te openen.
Een engel roept uit
Een ouderling wijst op de Leeuw uit de stam van Juda, die overwonnen heeft om het boek te openen.
Johannes ziet een Lam met zeven hoornen en zeven ogen (symbool van macht en alwetendheid), staande als geslacht, dat het boek uit Gods hand neemt.
De vier dieren en 24 ouderlingen vallen voor het Lam neer, zingen een nieuw lied en erkennen het Lam als waardig vanwege zijn verlossingswerk.
Engelen en alle schepselen sluiten zich aan bij de lofzang, maar alleen de verlosten zingen het nieuwe lied; engelen spreken of zwijgen omdat zij niet verlost zijn.
Het nieuwe lied gaat over verlossing door het bloed van het Lam, terwijl het oude lied over de schepping gaat.
De prediker benadrukt dat dit hemelse koor op aarde wordt ingestudeerd en roept op tot persoonlijke bekering om straks mee te zingen.
Summary:
Deze preek over Openbaring 5 beschrijft een visioen van Johannes, waarin hij een boek in Gods rechterhand ziet, verzegeld met zeven zegelen. Niemand in de hele schepping is waardig om dit boek te openen, wat Johannes tot tranen brengt. Dan wijst een ouderling op de Leeuw uit de stam van Juda, die overwonnen heeft.
Johannes ziet echter geen leeuw, maar een Lam met zeven hoornen en zeven ogen, staande alsof het geslacht is. Dit Lam, Jezus Christus, neemt het boek uit Gods hand, waarna de vier dieren en 24 ouderlingen (die de verlosten vertegenwoordigen) voor Hem neervallen en een nieuw lied zingen. Dit lied gaat over verlossing door het bloed van het Lam, die hen uit alle volken heeft gekocht.
Engelen en alle schepselen voegen zich bij de lofzang, maar alleen de verlosten zingen het nieuwe lied; engelen kunnen niet meezingen omdat zij nooit gevallen zijn. De prediker benadrukt dat dit hemelse koor op aarde wordt ingestudeerd, bijvoorbeeld in de eredienst. Hij roept op tot persoonlijke bekering: wie van nature het oude lied van wereldse vreugde zingt, moet zich afvragen of hij straks zal mogen meezingen in het hemelse koor.
De hoop ligt in het Lam dat overwonnen heeft en verlost.
FAQs
Het is het boek van Gods plan met deze wereld, waarin alle gebeurtenissen staan beschreven die zullen plaatsvinden voor de terugkeer van Christus.
Johannes huilt omdat niemand in de hemel of op aarde waardig is om het boek te openen en Gods plan uit te voeren, waardoor de verlossing en de nieuwe hemel en aarde niet zouden komen.
Jezus Christus, de Leeuw uit de stam van Juda en het Lam van God, is waardig omdat Hij overwonnen heeft door Zijn dood en opstanding.
De zeven hoornen staan voor Zijn volmaakte macht en de zeven ogen voor Zijn alwetendheid, als de zeven Geesten van God die over de hele aarde zijn uitgezonden.
Ze zingen een nieuw lied: 'U bent waardig het boek te nemen en zijn zegels te openen, want U bent geslacht en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed uit elke stam, taal, volk en natie.'
Engelen kunnen niet meezingen over verlossing door het bloed van Christus, omdat zij niet gevallen zijn en dus niet verlost hoeven te worden.
Chat with AI
Loading...
Pro features
Go deeper with this episode
Unlock creator-grade tools that turn any transcript into show notes and subtitle files.