Go back

#182 | De leraar denkt ... over differentiatie

64m 8s

#182 | De leraar denkt ... over differentiatie

In deze aflevering van 'De Leraar Denkt' staat differentiatie centraal: hoe zorg je dat elke leerling leert en uitgedaagd wordt, terwijl de klas als geheel bij elkaar blijft? De gasten, Christel Van Hoiweg en een andere expert, bespreken de resultaten van een enquête onder leraren. Hieruit blijkt dat 11% altijd differentieert, 39% vaak en 34% soms. Differentiatie is geen doel op zich, maar een middel om alle leerlingen dezelfde basisdoelen te laten bereiken. Er wordt onderscheid gemaakt tussen divergente differentiatie (verschillende doelen per leerling) en convergente differentiatie (gelijke doelen, met extra ondersteuning). De voorkeur gaat uit naar convergente differentiatie, omdat dit hoge verwachtingen stelt en stigmatisering voorkomt. De meest gebruikte vorm is differentiatie op niveau (50%), gevolgd door tempo (28%). Differentiatie op interesse ervaren leraren als het moeilijkst (39%). Hoewel differentiatie op interesse of leerprofiel op korte termijn motiverend kan werken, zijn competentie- en succeservaringen op lange termijn belangrijker. De experts benadrukken dat differentiatie begint bij het geloof in de leerbaarheid van elke leerling en dat leraren hun eigen gedrag moeten bewaken om te voorkomen dat lage verwachtingen de prestaties negatief beïnvloeden.

Transcription

10530 Words, 60144 Characters

Dutch
Wil jij als school echt werk maken van duurzaam beter onderwijs? Het schoolbredtruikt van het expertiescentrum onderwijs en leren help je om door dachten keus te maken die lijren tot echt een lerenwindst voor alle leerlingen. Geen losse initiatieve, maar een saal hangend en meer jarentruikt, waarin we bouwen aan de kern van sterke onderwijs. Effective directiek, krachte klasmanagement en onderwijs kunnen gliderschap. Vertrekken vanuit wat onderzoek ontleert, over wat werkt en vertaal dit naar de dagse praktijk in jouw school. Geinteresseerd, meer info vind je in de shownot van deze podcast. De lerar denkt. Een podcast van buitere krijdlijnen in het samenwerking met tietje tepflanderen en aardevuldehoogschoen. ♫ ♫ Hallo en welkom bij buitere krijdlijnen of bij de lerar denkt. Mijn naam is Renke Vanhoek en we hebben het vandaag dus over Diffrenciatie. Want hoe doe je nu aan effectieve Diffrenciatie? Hoe zorg je dat iedereen leert, dat je iedereen uittag, dat je iedereen remitieert, hoe ver moet je daarin gaan? Hoe zorg je dat de sprijdstand comfortabel blijft? Hoe breng je uiteindelijk weer terug samen aan de finish? All die vragen hebben we gesteld in de app van tietje tep, de resultaten gaan we straks laten zien en erover spreek. En dan doe ik met twee fantastische gasten die naast mij zitten. Christel van Hoiweg is hier naast mij Christel die gaf meer dan 20 jaar wiskunde in het seconde heronderwijs. Haal daar master onderwijswetschappen aan de open universiteit in Nederland. En ging aan de slag als leerair opleider aan de karel de grote hoogenschol in Antwerpen. En is al teur van een boek wijzeleessen. Nu is de hoofdprofessionalisering bij het expertiezenderm onderwijs leer klopthylomalen. Klopthylomalen. En dan mag zien, is het daarnaast, mag zien, is het ontacht 8 jaar voor de klas in het lager onderwijs. Gaf luisteren alle leerjaar buiten het eerste klopthylomalen. Dat staan op je bucketlisten, mooi te houden. Die hebben we nog te doen. Je was ook zorgkort in de aantal als ik juist ben. Sinds kort heb je de klaspractijk van wel. Ik zit echt heel recent dat je nog maar gedaan hebt. En werk je ook gevolg tijd voor het expertiezenderm onderwijs en leren. Om daar ook schoolteams, leekrachten, te bunglijden en professionele zeden. Vanaf ons team van experten. Waar we eigenlijk alle vragen om de franciatie aan gaan voorleggen. De eerste vraag die ik of de eerste resultaten van teachers die ik er wil bijhalen gaat over de frequentie van de franciatie. Hoe vaak? De franciële, de respondent. In eigenlijk zien we dat dat 11 procent altijd de franciër 39 procent doet dat vaak. 34 procent, soms en 14 procent, zelfs, zelfs 1 procent nooit. Nu hoe vaak je moet de franciër of wanneer je moet de franciër of hoeveel keer je moet de franciër. Vooral waar die vragen kunnen beginnen. Moeten we misschien een eerste stapje truiden en stelt zich de vraag. Waarom zou je de franciër of waarom? Ik denk dat het doel van de franciatie vooral is om elke leerling tot een bepaalt niveau van beheersing te laten komen. Nu dat is niet zo heel gemakkelijk. We weten met zijn allen als leeraren. Er zijn veel verschillen tussen kinderen, verschillende voorkennis, verschillende culturelen achtergrond, verschillende motivatie, verschillende taalvaardigheid. Nu die verschillen zijn er eigenlijk altijd al geweest. En ik pullen we zelfs terug een aantal, die zijn een aantal eeuw geleeren, zelfs tot motivus terug naar de bijbel. En hij zijn eigenlijk toenal mensen of kinderen, personen die hebben krijgen er meer van. Zij die niet hebben krijgen er nog minder van. Wat ik wil zeggen, kinderen die al ver staan, die veel weten, gaan veel makkelijker nog niet beleerst of ophalen. Die onthalden veel makkelijker, kinderen die veel moeilijker leren, die minder weten, die gaan nog veel moeilijker hebben om dingen bij te leren. Dus die verschillen zijn er. En daar zijn de doelen van de diferenciatie, we willen dat tegen gaan. We voelen als leerkrachten, we willen zo veel mogelijk leerlingen, toch die beheersing laten ervaren. De beste manier om kinderen veel te laten leren is natuurlijk één op één onderwijs, individualisatie, personaliseerd leren. Nu, daar zijn onderwijs helemaal niet mogelijk. Benjamin Bloom, ik ken er allemaal van de taxonomie van Bloom, heeft er ooit in 1984 een onderzoek naar gedaan, het toezegma problem heet het had. En toen ging je na een klassen om te kijken, is er iets, is er een didactische aanpak, is er een gedrag van leerkrachten, dat een op één onderwijs of les krijgen een hele kleine groepjes tot drie, vier leerlingen, dat daar die genop kan kunnen wij daar ook bereiken in een klassengroep. En toen was het resultaat niet helemaal niet, we komen zelfs kwalere effect nog niet aan de helft van het enorme effect van één op één onderwijs. Nu hoeft ook niet in onderwijs, kan dat niet. Het hele onderwijssystem heeft wel geprobeerd om alles stuk tegemoeten komen aan die diferenciatie. En dan kan je eerst helemaal uitzoemen op macro-niveau en dan zie je dat er verschillende schooldtippen bestaan. Heb je het gewoon onderwijs, je hebt de buiten, de onderwijs, de deelteids-onderwijs, vrienden, onderwijs. Dus op dat vlak op dat macro-niveau is al een verschil gemaakt op meezo-niveau, schooldniveau, wordt er eigenlijk ook al gedifferenzeerd, want dan kun je naar tracking kijken, dat heet dat dan. Dat zijn bijvoorbeeld studierichtingen, richtingen met meer wiskunde, richtingen met minder wiskunde op die manier gaat met ook die verenzeren. En je kan ook nog kijken naar streaming, naar setting eigenlijk en dan spreek mijn over schoolden die bijvoorbeeld werken met vaste niveaugroepen. Kenderen die als het gaat over leren lezen bijvoorbeeld die een bepaalde niveaugroepen ingedeeld wordt, een klas overstegend. Zal soms jaar overstegend kan ook. Daar heb je dus op schooldniveau, meezo-niveau, waar we het vandaag heel graag over zullen hebben. Samen mijn jullie is, wat kan leren in zijn klas doen op micro-niveau, aan de diferenciatie? En dan hebben we het eigenlijk over die binnenkklasen diferenciatie, wat kan een leerkracht doen? En ook daar zijn eigenlijk twee verschillende vormen van een kijk op die verenzerciatie. Ik bekijk het op leraar niveau, maar eigenlijk zal het ook wel vaak op schooldniveau wel doorgetrokken, een schooldbrede aanpak wel daar toegehanterd worden. En dan gaat erover. We vertrekken telkens dus zijn twee manieren om naar onderwijs te kijken. Ze vertrekken bij de vand het gegeven dat er verschillen zijn tussen kinderen. Alleen bij de ene aanpak gaat mijn kinderen eventuele wel een beetje extra tijd geven, een beetje meer ondersteuning geven, mijn maart, mijn grote deels vanuit. We gaan die aandacht voor die kinderen wel verdelen en de enige raakt verder dan de andere, maar we gaan het niet vanuit dat die dezelfde eindproducte halen. We gaan die doelen voor bepaalde leerlingen aanpassen. Dus sterke kinderen halen meer doelen, minder sterke leerlingen halen, minder doelen. De finish line, de finish line. En dat is een heel interessante en er legt ook wel een risico, want als je dat systeem volgt, en op de einde van het schooldjaar moet er wel echt naar die finish line gekeken worden. En dan wordt georienteerd naar het jaar nadien, waar ligt je dan die lat, als je dan die lat heel laag ligt, dan gaan de heel veel kinderen over naar een volgend jaar die eigenlijk veel te weinig kennen zijn waardigere bezitten. Als je op dat moment dat heel hoog legt, heb je een enorme uitstroom. En dan heb je het nog eens het gevaar van die stigmatisering, dat kinderen heel goed weten dat ze bepaalde doelen niet moeten halen, dat de leerkrachten niet verwachten, dat ze er halen, dat van hen minder verwacht wordt. En dan in dag geval spreken van die vergenten, de veranciatie, dus op de einde, de finish line is niet voor iedereen gelijk. Een veel rechtvaardiger manier om naar die veranciatie te kijken is een convergenten, de veranciatie en daar gaat men ervan uit. Dat die doelen sowieso voor alle leerlingen gelijk blijven, die kerndoelen, die basisdoelen, die elke leerlingen, zo moeten halen. Daar gaan we vanuit, we gaan ervan uit, alle leerlingen die lat zullen halen. Met meer ondersteuning, met meer tijd, die zaken, maar die lat is wel echt voor iedereen gelijk, die finish line is dezelfde. Met dan zelfs kinderen die sterker zijn, moeten ook een acceleren. Als ze die lat bereikt hebben, dan zouden we verder gaan, kunnen we die streef doen aan het betere zijn. Begin dat mijn soort van mindset, hij is slekrecht moet nemen van kijken, ik kan die vergend differentieren, dan denk ik van ja, die lering ga, dat zal met tot daar geraakt, kan we de oefening achter een aantal oefringen uitrukken en die lering dat is een slimmend, dat ga ik tot oefening tien geraakt. Degen over, ik denk, nee, ik ga bij de leringen proberen naar oefening tien te brengen. Daar begin het mee met dat idee dat je moet aannemen. Misschien met de nodig en nu woensen nog, dat als oefening te en oefening tien wel de zelfde doelen nog willen, dat je wel nog kan selecteren, van die kinderen die we bijvoorbeeld moeten aan verleing de instructie die graken door dat ik gelijk de instructie heb, maar tot oefening acht zijn er iedere de andere kinderen wel dat oefening tien graken bevoren wild, maar op het eind van driet zijn die doelen wel beheerst. Daar graag het over dat we dan met de gelijkere start eigenlijk aan de vervolgelissen terug kunnen aanvatten. Want eigenlijk in ons system met eind termen en met een attestering op een palpunt, maar door mag naar een woontjaar of dat je bijvoorbeeld naar een palde richting mag. Doe je als je aan die vergenten die de frinsaat, doe je die kinderen, neem je die kansen bij een palde kinderen, maar eigenlijk al zegt op vorant, dus dus eigenlijk al door te zeggen van ja, die finisch renning bij jou al daar, dus zeker dat het dat niet meer meer jij neemt dat eigenlijk al weg als slek, dat een beetje. Ja, inderdaad het is heel mooie gedacht en zoals je zegt in overtuiging van wij gaan er wel voor zorgen leerlingen zitten in die klasse, dat zijn de doelen die voor die kinderen voorop staan en die gaan we echt proberen halen. En om terug te komen op die overtuigingen, dan spreken we eigenlijk over die hoge verwachtingen waar vaak over gesproken wordt. En dat gaat eigenlijk echt over de overtuiging geloof ik, dat al mijn kinderen in mijn klas kunnen leren en daarbij eigenlijk nog en dat ik dat kan verwezen dat ik daar een hele belangrijke rol in speel geloof ik in de leerbaarheid van die kinderen en mijn rol daarin. En dat kan gaan overgeloof, daar kan overkennis doen, gaan vaardigheidsdullen, atitudes zelfs, bijvoorbeeld geloof ik dat al mijn kinderen de spellingsregels kunnen op zeggen. Kan ik dat doen met al mijn leerlingen bereiken? Kan ik ervoor zorgen dat al mijn kinderen qua vaardigheidsd bijvoorbeeld foutlos kunnen schrijven of de deterrie en foutlos kunnen toepassen? Geloof ik erin dat ik ervoor kan zorgen dat al mijn kinderen ordelijk schrijven? Kan ik ervoor zorgen dat mijn kinderen rustig zijn in mijn klas? Ja, het gaat niet alleen over de cognitieve, het kan ook wel bewendigen, maar geloof ik dat ik daar iets een kan doen want die verwachtingen onderzoektond ook dat daar nog iets bij komt kijken eigenlijk. En dat is zodat die verwachtingen eigenlijk ons gedrag bepalen. En ik weet niet of de mensen hier in de zaal ook een beetje herkennen, ik kan het zeker uit mijn eigen praktijk, dat je kinderen waar dat je bijvoorbeeld minder hoge verwachtingen van hebt, dat je die minder aanbod laat komen want als je die een vraag stijlt en ze weten het niet, dan duurt er langer, les tempo, evertraagd, we denken dat we gaan ook niet in de verlegenheid brengen om te laten antwoorden, dus we doen het niet. Dus die verwachtingen als die lach zijn van bepaalde leerlingen bepaalt het eigenlijk een stuk hoe wij ons gedragen naar die leerlingen, wat dan weer als gevolg heeft dat die kinderen hun denken erop afstemen soms een duur weten van jammer de leerkracht de duur de meene altijd aan, waardoor ze zich soms daarin gaan zettelen van ja voor mij wordt die lat niet zo hoog gelekt, wat dan weer een bevestiging het begraven, het pek-melien-effect-heta, maar daar is dus eigenlijk iets waar ons heel bewust van moeten zijn en ik weet ook nog vanuit mijn eigen praktijk dat ik soms al dacht in de maand november van oei die of die leerling die gaat het misschien niet halen en in principe klopt dat ook misschien wel want ik heb ook mijn expertise, ik heb de data die ik zie van toetsen, ik zie hoe wat kinderen op het papieren schrijven dus ik als als expert weet ik misschien oei die leerling gaat het moeilijk hebben, maar dan is het een kwestie van bewust te zijn om dag om die verwachting niet te laten doorspelen in bepaalde gedraging want kinderen en dan terug daar geloof kinderen kunnen eigen leren en misschien een kleine analogie die ik er soms bij vertel en dat doe voor mensen wel vaak iets stijl en dat jij rinke naar de dokter gaat en jouw huisarts zegt, rinke ik heb eigenlijk geen goed nieuws je bent ziek, ja, dat kan zijn dat die dokter vanuit zijn expertise denkt oei de kans bestaat dat het niet niet goed komt ja het is misschien niet zo niet voor meerdad, ja, de dokter zou kunnen denken mijn verwachtingen legen niet zo heel hoog, maar dan hebben wij als patient wel het recht of we hopen dat die dokter dan wel die verwachtingen niet laten doorspelen in hoe hij mij ons omgaat, maar echt alles op alles zet om jou toch dat doe je te laten behalen om jou toch te helpen genies en ik mag streng zijn en mag zeggen rinke je moet die medicijnen nemen, je moet je moet dat je het volgen dan moet je terugkomen dan wil ik dit zien je moet misschien een keer extra komen, maar je dan wel kwaad understanding heel veel doet dat jij toch dat doe je kan halen en daar is eigenlijk een hele mooie dat is eigenlijk een voorwaarde binnen dat geloof in de leerbaarheid van die kinderen om verder te kijken naar die diferenciatie. Dus je bent terug aan de stelling hoe vaak diferenier je 11% geeft aan de vak, sorry 11% geeft aan altijd 90% geeft aan de vak is er een waard dat om dat diferenciatie zo belangrijk hoor binnen onderwijs is heel vaak hoor benoemd als een soort van iets aan je moet doen en dat je wat je veel meer kan bereiken dan het ook een beetje gebeurt daarbij als brik als eerste wat bladstaat van de les voorbij en hoe ga ik die diferenciër dat dat soort van geen middel neem er wordt maar een doel op zich wordt. Ik had er een beetje op en turn met wat de diferenciatie eigenlijk is en als we erover in de boeken eigenlijk aan duiken en deze eigenlijk de definieze die bergandaat hier tegenkomen dat je projekteef instrukcie en leermiddelen en eigenlijk onderwijs leeromgeving toe koer dat je die gaat aanpassen om tegemoeten komen aan de individuele leerboefte en als je dat zo leest lijkt hij erdat iets dat je als eerste te doen hebt ik heb een paar doel verogen en dat aanpassen ik eigenlijk doe en dan lijkt de diferenciatie inderdaad een doel op zich meetijn ik denk dat we het er met zijn hand over instellen en als doel is om zo veel mogelijk leerwist te beogen bronzen kinderen hebben we dat die dus sterk mogelijk maken we dat die leerdoelen dat die allemaal beheerste listen nog in een hele sterkje maten en als de diferenciatie daar gaan een bijdrage kan lever heel gaag maar ik denk niet aan voorwaar de hoefte zijn voor een heel sterkje les de volgende stelling die gevraagd werd aan de respondente van tietje tepging over soorten die franciatie hebben daar twee vragen rondgesteld eerst de vraag was welke voor een pasje het meeste toe en dan zien we dat 1 50 procent vooral basis van niveau diferenciëert 28 procent op basis van tempo als we een vraag stellen welke diferenciatie vinden we het moeilijkste dan blijkt intresse daar hoog uit de komen neer en de procent leert profil op 23 procent als jullie kijken naar die vormen wat vormen radie jullie aan gewoon het is misschien interessant om ze lukkeer allemaal te overlopen want er is eigenlijk wel overal iets over te zeggen als we eens kijken naar tempo tempo wordt zeker genoemd als een belangrijke factor om op te diferenciëren nu in de klas is en natuurlijk moeilijk van tietijd die less uren die zijn beperkt ja hoeveel meer tijd krijgen bepaalde leerlingen dan hoeft dat allemaal te gebeuren tijd dus de less tijd kan dat eventueel ook nadien ik denk nou we er straks nog eventjes op terug komen en hoeveel kan je daar reken die tijd dus daar zeker ik bereid dat ook al een moeilijk is als het gaat over interesse zou ik denken van ja dat kan als je er als leer kracht makkelijk verschillende opties kan bedenken zonder dat het jouw al te veel voorbereidingstijd oplevert zonder te veel moeite dan kan je het zeker doen met ook de voorwaarde dat het zeker dat die vormen zeker bijdragen aan hetzelfde leer doen dat die rechtstrieks richting naar leerdoelen gaan dan zo het kunnen andersijds kan je ook de vraag stellen stellen dat je 25 leerlingen en je klas hebt die hebben allemaal verschillende interesse ja ik begrijp dat me dat mensen zeggen dat het heel moeilijk om dan tegemoeten komen aan de interesse je zou kunnen zeggen in de france less en kinderen zijn tegenwoordelijk veel harder geïnteresseerd of veel meer geïnteresseerd in stromij dan in juke brijl maar langzang kan stromij horen ze misschien al vaak juke brijl veel minder en kan je ook niet een interesse opweken door zelf de keuze te maken nu nogmaals als het kan mij weinig moeite en we weten dat het zeker bedraagt aan hetzelfde toe ja waarom niet want het is de meerwaarde van de differenzieren op basis van interesse naar het leer toe dan is het dan op een meer motivatie zorg of voor meer herkenbaarheid en voorkein er is zo te worden ja het gaat aan vaak over die betrokkenheid en over die motivatie maar die zou kunnen denken die interesse naar mijn ervaring ook in de klas werk dat toe naar een motivatie naar betrokkenheid op hele kortetermijn ik denk op lange termijn de competanciën, succesar, varingen, veel sterkere predictoren zijn. van motivatie, dan die interesse. Als we eens kijken naar leerprofil, gaat het over hoe leren kinderen. Dan zou je bijvoorbeeld verschillen kunnen maken in een presentatievorm. Ik heb een groepswerk gedaan. Je kunt een kiezen, typisch voorbeeldse. Je kunt een kiezen in de voorreur van een filmpje brengen. Je kunt in de voorreur van een presentatie, een verhaal overschrijven. Daar is het heel belangrijk om te kijken. Het dragen alle drie of vier die opties op eenzelfde manier bij aan dat doel. Aan dat leren is het ene makkelijker, andere moeilijker. Plus, leerlingen kunnen we vaak een voorkeur hebben voor een bepaalde uitwerking. Maar je kan ook de vraag stellen, is niet interessant. Als ze elke vorm van presenteren en kier gezien hebben, of je altijd tegemoed komen aan die voorkeuren. En dan vereng je ook wel de algemeen ontwikkeling van. Mijn dat die twee intressen en leerprofil heel gemakkelijk kunnen omstanden in de lat lager, of door gemakkelijker maken we de leerlingen. Het is misschien leuker om een tekst van stromijten analyseren die je al goed kent. Dan, misschien is het te vaste bij te in een nieuwe tekst van. Die geen nieuwe tekst, maar een tekst van zijn brel. Dat is misschien meer uit. Ook al is dat dat misschien niet meteen in het intressen profiel van de leerlingen. Ik denk niet dat het gevaar vooral zit in het verlagen van de lat. Maar ik denk dat het verschillen vooral zit in twijt dat het extra zal bijdragen. aan motivatie waardoor dat we leerlingen aan het leren krijgen. Terwijl dat voor meende hoofdzaak niet zo zijn. en vaak volgens mij veel werklast met zich meebrengt. En eigenlijk naar motivatie op lange termijn niet zo bepaalend zal zijn. Ik denk dan dat de verenciatie op basis van tempo, dat je leerlingen echt. langere leer tijd geeft om die bepaalde doelen te bereiken. En dat we als we gaan de verenciëren op niveau, dat we dus bepaalde kinderen. meer ondersteuning gaan bieden. Trapjes echt ondersteuning gaan bieden om totaal leerdoel te komen. en andere leerlingen nog verder gaan uitdagen. Omdat ze alsneler dat leerdoelen bereikt hebben. dat we daar veel meer leerwinds uit gaan halen. En dat als dat dan een lukt die succes ervaringen. dat die voor de motivatie zelf zorgen. Het zou ik jemmer zijn, mogen we de kinderen in ons onderwijs. zich laten we werken door de eigen intresse, terwijl we net het aan het antelentintressevelder. zo groot mogelijk willen maken en in kiel te leren. is onze breed mogelijk moeten maken. En dan denk ik vooral dat de leer krijgt waar de centrale ralling. aan betekenen om inderdaad die intresse op te weken. In het lager onderwijs wordt ook wel een projectwerk, bijvoorbeeld gedaan. Mirkewelle had er bij. dan kan je wel op interesse inspelen, bijvoorbeeld. Daar biedt mogelijk heden ik merk wel dat als we daar echt op de praktijk. vroeger echt gaan zien. dat er heel veel aaniggande kinderen gaan naar de werkvorm aan zich. dat daar heel veel tijd en ruimte naar toegouwere van de leerwinds. als ze dan die nog eens doen, dat het eigenlijk beperkt is. en dat de ingouden die ze dan eigenlijk zouden kunnen verwerven. dat dat eigenlijk ook alweer toch minder blijkt. Nog een van de vier hebben we niet aangeraakt als niveau. de financiële basis van niveau, is dat een effectiefe manier? Ja, we zien wel eens in klasse dat er een niveaugrupper gewerkt worden. We willen zo een beetje de valkele van vaste niveaugrupper. toch proberen de duiden, niet alleen omdat stigmatiseren te krijgen zijn. Veel leerkrechten hebben het aan wel gewonden met de andere namen te geven. maar leerlingen hebben dat heel z'n door. wat er in de blauwe groep gebeurt of wat er bij de koal is gebeurt. die hebben daar heel snel door. Daarbij moeten we ook na gaan of dat dat heel effectief is. en daarvoor een lange tijd vast te houden. want het is niet zo omdat ik bijvoorbeeld zwakker ben voor getallen kennis. of zerkrebembergetallen kennis. Dat dat ook betekent dat dat ook zo is voor in-out-matten. Ze dingen uit de leerkrechten vingen goed aan de postmet houden. en naar iets flexibleren mee moeten omgaan. Ik vind het ook een beetje een blijkt van lagerverwachtingen. Als ik weet in welke groep dat de zwakker-regropies in de leerkrecht plaats met daar. ja dan is daar een logisch gevolgig. Ik ook lagerverwachtingen van mezelf 5, dan in eigen leerge. daar ook ga sturen. Maar bijgelijk die lagerverwachtingen van de leerkrecht. nog eens bekachtig tot bevestigd wordt. Wat er net eigenlijk is gezegd. erbij is ontwikkeling van kinderen en kind en heel die gelijk verloop. De ene week is de andere niet. De leerwinds die ze op een bepaalde momentalen. kan gigantisch groot zijn en een paar weken naar die in het toch was thuygneren. Dus het is niet zo recht lijnig. Dus om mijn vaste niveauogroepen te gaan werken. maar niet wil zeggen dat niveauogroepen mee werken. dat daar negatief is een beetwalkanse om. ook in structie te bieden aan onze sterke kinderen. het beetkanse om ook. aan onze zwakker kinderen een verlang in de instructies te geven. of meer oefening op maat te geven. Ze biedt mogelijk ene. maar denk dat we voorzichtig. en je moet zijn om mijn vaste niveauogroepen te werken. Zeker, het belangrijk is echt van een oppaast. Maar op korte mij veroot. je startt je les met bijvoorbeeld een korte checken van begrepen. kortestje, je ziet van wie ze naap het niet of. of verschillende groepen en zo een lesje op niveau. Dus dat is dat. je wat 1% per cent doet het heel vaak op niveau, die frainste heren is dat een goed uitgangsput om van daar te vertreken. Ja, zo lang dat je leerlingen in één klas. en verschillende dingen laten doen, en verschillende ondersteuning, biedt of verschillende uitdagingen. Zorg je er ook voor? Dat ze nog steeds een stuk samenleeren en dat sociale leren. is ook een hele belangrijke. Je leert altijd beter van iemand die net. iets verder staat dan jezelf. Als je sterke leerlingen allemaal laat samen werken. dan gaan die natuurlijk. of als er daar nog iemand sterker is dan de andere. gaan die heel hard vooruit. Maar het is in die lager in die voorgrupen als ze daar. geen extra uitdaging, hebben iemand die het beter kan dan zichzelf. dan gaan ze minder sterker vooruit. Dus die kinderen samen in één klas aan het werk. zetten regelmatig ook een keer laten samen werken. voor bepaalde verwerking op de racht op kort lang. dat er voorzorgd, dat ze allemaal ook zeker vooruitgaan. Ik heb nog een annan ik dote. Ik was ooit over kon gress en ik hoorde daar. Ik was mijn leergracht aan het praten. En die sprak over van die plusklasse. En die zei bij onze sterke leerlingen. die gaan voor bepaalde vakken uit de les. En die gaan in een andere lokaal. zelfstandig aan de leer in harde werken. En ik stelde de vraag van een maai als die dus apart. worden genomen. In aparte gruppen kan je daar nog enorm veel mee bereiken als je. die verdupe instructie geeft als je die dag in de opdracht. de geefte samen laat werken. En dan zei je van ja niet eigenlijk. ik zei dat ook, past je je evaluatie op teende van de rit. aan het halen, die toch veel hoger doen. En dan zei je die persoon van ja niet eigenlijk niet. op teende van de rit halen je hetzelfde niveau. dan de kinderen die wel samen met de leerhaar. lesen hadden gevolgd, want we halen bij hen. gewoon volledig de instructie weg. Dus zij moeten alles zelfstandig verwerken. waardoor ze op teende van de rit gewoon hetzelfde niveau halen. Dat is eigenlijk ook een jammeren omdat die sterke leerlingen. eigenlijk nog veel verder kunnen geraken als die. eventjes meer instructie volgen. Sterk aan de start komen voor het gaan inhoefenen. en dan verder gaan en ook de tijd krijgen om. is verdiepen de instructie te krijgen. Dan kunnen ze nog veel verder geraken. Dus wat er dan gebeurt in die vaste niveaugruppen. zal ook nog heel bepaalend zijn voor het succes ervan. en omgekeerd. We gaan nog een voorbeeldje van die lagerverwachtingen. in een school waar kinderen die bijvoorbeeld minder sterke lezen. En dan zegt we ja, we gaan jou in die voorgroepen indelen. en jij mag gaan lezen bij een jaarje lager. Maar eigenlijk wil ik ook zeggen. de lat verlagen sowieso, de verwachtingen verlagen sowieso. Maar eigenlijk zou een vorm van. ik noem de altijd. liefde vol achterlaten. Met de aller beste bedoelingen gaan leerkrachten denken. ik moet het kind laten leren op het niveau dat bij zijn ontwikkeling past. Dus we met je gelingt aan die zonen van de naaste ontwikkeling. Maar daarom met de beste bedoelingen gaan we die jaarje lager zetten. Maar dan komen het gevaren die kinderen er nooit meer in halen. En dat was dus eigenlijk liefde vol achterlaten waar eigenlijk. mijn inziens krachtiger zou zijn, is zeggen dat die leerkracht. vak ik, ik ga ervoor zorgen, jij krijgt extra tijd. Maar jij kan dat ook, met meer ondersteuning, met meer tijd. Maar we gaan ervoor zorgen. in een beperkte tijd, op een maand tijd. We zouden je bijgebeen bent. Dat is een andere manier om daar naar te kijken. Pijlijke en ter liefde vol achterlaten, maar wel een nagel op de kop. Ook alweer terugkomen op. dat vorm met die evalueren, dat check je van begriep, waar je er juist aan halde. Dat is een goede manier om een manievolgen op te werken. Dus je geeft een bepaalde instructie en een bepaalde ogenblik. Je komt hier gewoon, maar ik ga een interactie voor dat toelaten. in onze instructie of maakingsalies en oefening en voelalies. Maak je de oefeningen juist, lukt dat nu ja af neer. Lukt dat al prima, goed, start dan maar. Het redelt ook niet over het wereld als sterkleerlingen. die nog naar jou moeten luisterstiek in oefeningen naar het maken zijn. en de oefeningen dat allemaal juist. Dat is wel veel loren tijd voor die kinderen. Door die, daar check je van begriep en dan al oost te laten, prima denk ik. Dan ga je er op een veel flexibel remanier. meaande slag. Ik denk dat we met je gekomen zijn bij hoe moet je niet doen? Die diferenciatie misschien wel. De prangendste vraag, want we leggen het al af van onszelf. als leker het heel hoog als we konvergent gaan, want ik aan het diferenseer. We willen hoge verwachting voor alle leerlingen. We are iedereen mee. maar dat is niet zo simpel, want in niveau verschillen we wel. De rest is verschillen. Als we vragen aan de responente van Tietje-tappen, hebben we wat gebruiken zij om te differenceren en zien we dat de verschillende met alles frequent gebruikt worden, digitale toepassing, instruk syfilmpjes, materialen te metalen, maar ook heel veel die eigen materiën gaan maken. 46% maakt eigen materiën. Welke middelijke kan je gebruiken om te differenceren? Misschien is het interessant om terug even op te splitsen in gaan we extra ondersteuning bieden en waar is daar allemaal mogelijk? Of gaan we extra uitdaging bieden en waar is daar allemaal mogelijk? Dat zijn de twee vragen die je moet stellen als je gaat te inferenceren. We gaan extra ondersteuning of bieden als ondersteuning. We gaan bieden als uitdaging. Ja, ja. En dan kan je naaan die extra ondersteuning. Dan kan je, of dan mag je al nadenken, want ik hoor veel leerkrachten maken, heel eigen materialen. Dat is natuurlijk al heel tijdsintensief. Dat vraagt heel veel van leraren. Dan komt dan straks een vraag van is dat eigenlijk allemaal halbaar? Misschien is het interessant om eens te gaan kijken. Wat kunnen we in de klas al bieden aan ondersteuning door de gedraagingen van de leraren zelf? Wat kan die zelf bijvoorbeeld doen om die ondersteuning al te bieden los van extra materialen? Hoe kunnen we klasgenoten, hoe kunnen we medeleerlingen inzetten om minder sterke leerlingen mee te krijgen? Ja. En dan natuurlijk de metode, de handboekensinder, stapelplanen, bijvoorbeeld sinners checklist, die rol of ondersteuning kunnen bieden. En als we kijken naar de leraren zelf, dan zal dat bijvoorbeeld wel kunnen zijn, na dat checken van begrijp, want op de directie, er gaan we straks zeker ook nog over hebben. Maar een extra uitgewerkt voorbeeld bespreken mijn aantal leerlingen, sterke leerlingen, hebben we begrijp gecheckt. We zien welke leerlingen er echt al in eens de leerstof beheerdste en die verder kunnen gaan oefenen, maar met die andere een extra uitgewerkt voorbeeld. Tijdens het rond gaan ik er een hint geven. Is het naast? Zat eens op een andere manier uitleggen, is een hint geven tussen vragen stellen. Dat zijn allemaal heel makkelijke, maar effectieve manieren om, als leraren gewoon die leerlingen, die ondersteuning te bieden om een stap verder te gaan. Ik denk klasgenoten kunnen ook heel veel donikatternetal vertellen over die social leren, en hoe sterke, eigenlijk klasgenoten elkaar kunnen meenemen. Zoet een onderzoek verschil in het boekspotsoponderwijs van Wimmanenbroek. Die halde uit de pieza-resultaten een hele mooie conclusie. Als je kijkt naar het gemiddelde, het was het ging toen over wiskenden, het gemiddelde van landen, hoe hoog dat ze scoren voor wiskenden. Als we daar naar kijken, heb ik kijken dan naar de 5% laagstscorenen, dan zien we dat als dat gemiddelde stijgt, dat die de 5% laagstscoren de meesteegt. Dus eigenlijk is dat we een beetje het bewijs van dat social leren, dat sterke leerlingen sowieso minder sterke leerlingen mee optrekken. En dan blijkt zelfs hoe hoger het gemiddelde in een klas bijvoorbeeld, hoe harder dat effect nog gegeld. Dus dat gemiddelde is eigenlijk een soort lijm voor de mens sterke en hoe hoger het gemiddelde, hoe sterke leerlingen we nog een keer. Dus die klasgenoten kunnen ook heel veel doen, denk aan de werkvorm, denk duurdeel, kan je misschien. En dat je bijvoorbeeld zegt, ik stel een moeilijke vraag in de eerste minuut. Ga iedereen helemaal individueel nadenken waar we het hier over hoe kom ik tot een antwoord. In de volgende fase zeg je besprek nu met je buur, met je schoudermaatje, besprek jullie antwoorden en geef elkaar feedback, je leert de zultaten samen en komt tot zo goed mogelijk resultaat van jullie bijren. Om dan in de derde fase, denk duurdeel, in de deel-fase nog eens met de klas, die antwoorden te bespreken, maar dus die duofase, waarbij een klasgenoten, schoudermaatjes, elkaar feedback geven, elkaar sterker maken. Dus ook ondersteuning voor die mens sterke, heb je zo nog die BBBBB, Brain, Book, Buddy, Boss, dat je het eerst, als je het antwoord niet weet, dat je eerst goed nadenkt en je hoofd van kan ik het zelf, dat je dan op een bepaalde bladsel in een boek kan nagaan wat het teorie juist is om basis daarvan stapje verder te kunnen. Maar de volgende stap is een vraag het aan iemand in de klas of vraag het alweer aan je buur en dan kan je zelfs nog afsprieken van je maag elkaar het juist antwoord niet opsteken, maar je mag wel bijvoorbeeld een tip geven. Heel help, je klasgenoten stap je verder. Dat zijn ook bijvoorbeeld manieren, waarop de klasgenoten heel sterker kunnen worden ingezet om elkaar te helpen, bijvoorbeeld ook samen gezien, om in een school dat er zo een blokje was, mijn groen, rood en hele vlakken, en dan kon de leerlingen tijdens de oefenen een bepaalde kleur naar boven leggen en dan wil zei je van 'leg je een groene kleur boven aan', dat wil zei je wel, ja ik ben eigenlijk goed bezig, ik kan verder over mij hoeft leerkrachtig geen zorgen te maken en iemand die een vraag heeft, mag ze ook aan mij stellen, iemand die ooran je naar boven leggen die zei bijvoorbeeld van 'ja, als de leerkracht er ontgaat, ik kan nog wel verder, maar ik heb toch een aantal vragen of ik voel me onzeker, wil je dan eens bij mij komen kijken. En als je rood boven aan leegt, dan kan je eigenlijk niet verder, dan heb je hulp nodig en dan kan de leer kracht zien. Alle leerlingen die een rood vakje in de boven hebben, iedereen moet ik eerst zijn en dan merk je hoe rap dat klasgenoten, ik heb het ook zelf weer meneergen praktijk nog geprobeerd, dan merk je hoe rap dat andere klasgenoten van dat dat ze die rood de kleur zien gaan bij springen, zei ik kan het helpen, kan ik iets doen. Dus dat zijn ook allemaal vormen om ondersteuning te geven. En dan heb je natuurlijk die materialen in online leeromgeving heb je vaak nog een extra tip die je kan vragen, kan je feedback ophalen. Je wordt je soms doorgestuurd naar een oefening die net zelfde niveau of net ook moeilijker niveau is dan dat je al gedaan hebt. Heb ik quizlid, heb je bijvoorbeeld dat woorden die je niet convertalen, dat die regelmatigers terugkomen, dan worden die je wel kan dus in die leermateriale is ook zeker wel mogelijk, zonder dat de leerkracht heel veel verschillende taaken moet voorzien voor leerlingen. Dus in eerste instantie zou ik zeggen, ga je eens kijken wat je zelf kan doen door je manier van les geven en wat leerlingen kunnen doen. En dan wat er al in de materialen zit, ik weet niet, mag zien of je kan doen. Ja, maar om te willen eruit met die metoles om bijvoorbeeld, die denk door deel bijvoorbeeld de oefenen. Mertuel in de laag is een school bijvoorbeeld, dat is echt iets dat ingeoefend moet worden, en expecieert daar geleerd moet worden, want eerst ik heb je er 5 keer dat ik je daar geprobeerd had. En die leefde toch vader kan het niet. En dan zou je al snel denken, ik laat dat tot, dat laat dat helemaal los. Maar deze wel iets, dat werkt, maar je moet het even volhouden, maar het even door de sleurig raken. Ja, anders ga je misschien laten we al het wel heel effectief kan zijn. Maar dat geldt vooral eens. Je denkt ook bijvoorbeeld dat het leren werken met uitgewerkt te voorbeelden. Ik denk dat heel veel leren krijgte stappplannen geven bijvoorbeeld aan kinderen. En zeggen, ja maar je kan op je stappplannen kijken, maar eigenlijk is een oefening maken aan de hand van een uitgewerkt voorbeeld, ook iets dat je expecieert aan te leren hebt aan kinderen. Dus als we willen aan die franseren, we willen ondersteuningsmateriaal aanbieden, dan zal er ook wel de nodige aaniging naar toe gaan om te leren omgaan met de jaste ondersteuningsmiddelen. Ik denk dat we het zoek in die daktiek wel een beetje aangerakt hebben. Wat is de link op zich tussen die daktiek en die fransiation? Want soms lijken die twee los van elkaar te zijn, want bij eerst je lesgeven doet en dan gaat die franseren in een soort van oefenvaterpast. Heb ik soms gevoel dat legerpast aan de de fransiation beginnen, dat ze dan aparte oefeningen of dan een extra instruikstuur in mensen. Maar bijvoorbeeld, jij wordt aan de krissel, dat is het er die vaak heel erg verweven. Dan ben je net in je instruikstuur of net als je aan het lesgeven bent dan te seren, bent of weet ik wat? Ben je net al aan het diferencieren? Ja, het is eigenlijk zo dat als je sterke directiek toepast, als je voorkennen zouctieveerd als je helder instruikstie geeft, als je veel voorbeelden voor ziet, als de doelen helder zijn, de succeskreaterea, daarbij door de leerlingen goed gekend zijn, dat je heel vaak begrip checkt bij leerlingen, en vinger aan de polschoot en die tussen vragen stellen, wat ik de net al zei, dat je in de daad ook die manier vormen van verdere diferenciatie kan voorkomen. Dus die sterke directiek is wel echt een heel belangrijk fundament om als basis te gebruiken, en van daar te starten en dan te zien, dat we het tot waar geraken kallen en hoe gaan we nu op splits? Om dan ook wel telkens op regelmatige basis terug samen te komen, niet te lang kinderen op verschillende baden te laten werken, maar op gereelde momenten, de drempel waarin het heet dat dan op regelmatige drempel waar de terug samen te komen, om zeker het gevoel dat we als klasse samen vooruit aan het gaan zijn, dat we samen aan het leren zijn, dat dat zeker ook bestaat. We kunnen er nog verder op inraamd, dat is sowieso de basis van alles. Het is zo dat je met de sterke directie eigenlijk de leerdolen effectiever ga bereiken. En hoe sterke dat je je les schipt, ook makkelijker dat je doelen bereikt met je kinderen. De doelen kennen een vervolg. En eigenlijk wil jullie in uw vervolg leserex voorkomen dat er kinderen zijn, die de vorige is, eigenlijk in minder maatweer zijn en sterke kinderen die wel beheersen en heb je die sprijdstand. En vanaf dat we daarin komen, dat wordt het last weer. En dan heb je al instrukziteit dat je ga moeten verdelen onder minstens twee groepen. Je hebt algemeen die directiek die je wordt bij je als leer krijgt. Veel minder de focus op kan leggen en veel minder onder de aandacht kan brengen. Want die andere groep die moet al even bezig zijn. Dus je krijgt eigenlijk de sprijdstand in de klas die je eigenlijk kleiner wilt houden door in eerste instanciën hele effectiviteit die directiek toe te passen. En om een voorbeeld daarvan te geven misschien een leerkrechter derde leerjaar in de Valdemouwen. Toevallig niet zeg. Het aanleer van de klok ziet daar kinderen heel erg glas te vinden. En niks zo'n met dooders of zo maar in een jaar plan als we uitjes meten zien en uitjes meten zien. Dan zien we dat er heel snel vooruit gaat. Maar dat is eigenlijk heel moeilijk voor kinderen. Sterke kinderen gaan er misschien al sneller meer aan de slag gaan. In eerste instanciële leerkinder een uur en een allevuur. Dan die gaat daarna een kwartier. Dan die gaat daarna vijf minuten. Maar leerklok leert dan op vijf minuten. Als je nog niet goed weet wat oor is en wat voor is of wat de functie is van elke wijzer. Als voorkein is die ooit is aangegeven geweest. Maar als dat nog niet beheerst is, dan wordt dat heel erg glas te gaan. Je wilt die effectieve directiek van die voorkein is goed neerzetter om een volgende heer te geven aan de lesse. Zo dat is prins dan het kleiner is en die minder hoeft te defrenseren naar een niveau weliswaar. Oké. De halbareheid is misschien ook een belangrijke vraag bij die franciatie en ook een vraag die aan digitappers gesteld. Soms check ik zo veel tijd in kinderen met zorgen en problemen dat ik de breden midden moet dat ik daarvoor te kort schiet. Vijfvig procent is het daarmee 1% en 17% is het helemaal. Meen z'n overal te meerdrijd. Er kent wel dat de franciatie een soort van kost heeft dat vakte kortje op een ander vlak. Dat onmolijke dan die sprijd van het vol te houden of comfortabelthaus. Dat ik in mijn intro zoi. Hoe zorgt je dat die franciatie halbaar blijft misschien de vraag hieruit volgt? Ja, ik begrijp die vraag heel hard, heel goed. En ik denk door de dingen die we hiervoor ook al gezegd hebben dat ook duidelijk wordt, dat we betoelen. Dat we niet in eerste instantie naar die uitersten moeten kijken. De hard focus op die sterke leerlingen die extra zwakke leerlingen waardoren dat we die midden moet vergeten. Maar als we gewoon een set keren doen hebben waar we van verwachten, waar we overtuigd zijn, dat we die met zijn allen kunnen bereiken. Dan zorg je al dat je die groepsverwachtingen hebt. We gaan met zijn allen doen zonder te veel te focusen op die extremen. Hebben we eigenlijk vanuit dat quasi iedereen midden moet is, eventueel met wat meer ondersteuning eventueel met wat meer uitdaging. Maar zonder daar al die extra taak, extra voorbereiding in te steken. Daarom daar ook heel vaak dat de francieren, we hebben het net al over gehad, dat impliceert precies dat we vooraf alvan alles moet gaan voorbereiden, voor die kinderen met die extra leer nodig. In Engeland spreek mijn vak van Adaptive Teaching gewoon je lessen tijdens gaan we een beetje aanpassen dat je die ondersteuning en die uitdaging kan bieden. Ik weet uit mijn eigen praktijk dat ik mijn lessen voorbereiden voor die midden moet en dat ik focus te op de didactiek. Wat ga ik doen? Hoe ga ik begrijp checken? Hoe ga ik voorkennis activeren? Welke voorbeelden ga ik gebruiken? En dan ik dan aansluit een tweldagd, oké, wat ga ik nu doen voor die drie, vier leerlingen die het moeilijker hebben? Die keekst er een ondersteuning gebeurt, wat ga ik daarvoor doen? En heel kort, oké, die drie sterke, die sneller, die doelen zullen bereiken. Wat ga ik daarvoor doen? Maar dat we dus net meer gaan focusen op die grote midden moet en om daarvan verwachten. Dat het allemaal gaan kunnen. En dan kom je wel een beetje meer tot ta classicale, omdat je meer als groep verder kan. En daar wil de nie zeggen dat dat altijd frantal less geven is en dat alles klassikal gebeurt zeker niet. Door die activiteiten, als een ding duurdeel, leerlingen ook iets wakkere leerlingen is zelfstandig aan de slag. Laten we met al bepaalde doelen, is zelfstandig werk samenwerken. Iedereen denkt mee, want alleen door mee te denken kan je leren. Dus werk voor mijn vinden, daar echt alle leerlingen geactiveren worden om mee te denken. Dat kan ook als je als groep vooruit wil en dat dat niet, dat klassieke of dat de oorderwetse onderwijs, maar net krijgen die meer leerlingen ook meer aanwacht. Van een leerkracht van hoe gepersonaliseren, dat je gaat werken, hoe langer dat de ook leerlingen moeten wachten, om specifieke ondersteuning of op feedback. Dus je kan ook echt heel veel bereiken. Klassicaal. En echt, dat zou ik denk ik vaak met die franciatie gaan. Je neert dat je focus op de zwakst of de allersterkste, want daar zit dan de prangende nood ook vaak. Want die stikt dan vaak zijn hand op en de klasse daar heb je mee bezig, maar je moet het echt in de midden motven je klass veroog. En als je daar al heel goed aan les geeft, dan ga je eigenlijk die bij de uiterste ook al helpen zo weer zo. En met de reken, iedereen denkt mee ook vragen stellen aan minder sterke leerlingen. Tijd geven onderover na te denken, eventueel in die duelvase laat die gerust lang genoeg duren, daar leerlingen elkaar al ondersteunen om verder te kunnen. Blijf je die franciëren tot iedereen het kan. En het thuis misschien ook iets waar je kwaar halbaar het kan verliezen dat je blijft. De ene leerlingen kan nog altijd niet of of niet helemaal en ik ga toch nog blijven dat dat parten of die franciëren en extra hoefeningen. We willen, we moeten natuurlijk wel zorgen dat we als groep met zoveel mogelijk leerlingen tot beheersing komen. En met spreek dan vaak over een beheersing van 80 procent. Daar hoeft niet allemaal in een eerste initiale leervase. Dat kan ook zijn door vervolgende te herhalen. Lassen die volgen door ophaal oefeningen, die retrievalpractice, die herse pade nog versterk dat je tot automatisatie kan komen. Maar we hebben wel een bepaalde graad van beheersing nodig om nog maar verder te kunnen bouwen. Om zo'n die sprijdstand niet te grote laten worden, het is dan beter dat we echt nadenken over basisvaardigeren, waarvan we willen dat echt alle leerlingen zijn beheersen. Om dat dan ook de leerkrachten die na ons komen, die na ons dat die zeker zijn van die zaken die kunnen ze. Er is ook een gevaar de metoden die zikker de lager onderwijs schrijven heel vaak voor, maar je ziet het wel gebeuren. Dat ze zeggen in week 17 behandelen dat. In week 18 behandelen dat. Ze hebben een stuk getempo van de leerhaarterwijl er bepaalde onderdelen zijn. Je komt textfaktorie voor zorgen dat bepaalde lasonderwerpen in een bepaalde klas net iets meer tijd vragen. Dat we daar ook alert voor moeten zijn van we schieten ons eigenlijk in de voed door. Het is maar door te gaan door te gaan door te gaan, maar we hebben er aan als leerhaar, als onderwijssysteem. Dat we tijdelijk is maar door gaan maar op de einde van de red zien. Dat we de helft van de leerlingen hebben achtergelaten, dat we ze kwijt zijn. Ik weet het aan heel moeilijk is, want niet elke leerling zal die beheersing binnen de relatieve tijd kunnen behalen, maar dat dat ook een streefdull is. Ik mag niet snel door gaan als niet de grote mot. Het is niet 80 procent omgeveer als die niet mee zijn, ga ik toeges met een nadenken of andere dingen kan doen. Wat ook vaak bij die franciatie gebeurt is dat we alleen maar hebben over de zwakere leerling, hoe kunnen we de zwakere leerlingen helpen, ondersteunen en dat de sterkere leerlingen wat vergeten wordt. Als we dat vragen aan de responente van teachers hebben, heb je genoeg tijd om cirke leerlingen uit te teagen, dan blijkt dat 1% en 50 procent moeten we even neken dat niet genoeg tijd voor. Dus dat is een probleem of dat dit dat vaak vergeten wordt? Het is ergens juist heel erg kenbaar, ik ben eigenlijk tijd ook. Merees prikt er ook wel van een mooie leerkrijg te hachtoken. Wilt vooral focus hebben voor de kinderen die de doelen mogelijk niet gaan behalen, want dat je dan extra tijd te moeite voor wat investeren, want dat je er eigenlijk vanuit gaat dat die sterkste leerlingen, toch die kerndelen die je verhoogen hebt, dat die wel gaan beheers. Dus dat lijkt een noodzaak bij vooral te liggen van u aandacht bij die zwakere kinderen. Mijn de laatste pizza, die resultaat op wat we er ook wel aangetond, dat we ons het aantal toprestere is gezakt is naar 15 procent, we delen dat in 2002 ongeveer 34 procent zaten. Dus er is wel een teken aan de wand. Dus ik denk wel dat we tijd en ruimte moeten hebben voor onze sterkere leerlingen. Het gevaar is dat in klas van momenteel eventuele zin is dat ik inderen met relatief korte instruikings of vijnen of geen instruikings aan de slag moeten. Zonder dat de leer krijgt, de goede monitor heeft van dat dat wel die juist de keuze niet zo best wel alleen aan het slag gaan. Waarbij een misconcepties of op een vlakke gekennies van de leerstof. Dat is eigenlijk aan het werk gaan, waarmogelijk een valkeral is of gevaarlijk is voor het toekomst te geleren, woorden alles op verder gebouwd wordt. Het lijkt soms met je dat een doodere jeideren verteld, dat we zo echt sterke leerlingen echt gaan proberen vertragen door ze instruikingsstructie te geven of veel meer oefeningen. Zo dat ze het mooiste samen uitkomen met de minder sterke leerlingen. Dat dat natuurlijk niet de bedoeling kan zijn denk ik. Nee, zo mooi zijn dat we ook weer met beperkte werklast toch nadenken over manieren om die sterke leerlingen verder uit te dagen. Kan dat gaan over verbreeren dat ze extra's krijgen? Ja, echt verbreeren kan het niet anders zeggen. Dat ze zei projectjes kunnen doen. Je zou kunnen kiezen om echt die leerlingen te laten verdiepen. Dat ze complexere oefeningen maken over dat zelf de onderwerp, dat we de taal moeilijker maken, complexer maken, abstracter maken. Dat zijn ook allemaal vormen om naar een diep in te gaan. Maar dat ze wel binnen dezelfde onderwerpen en binnen dezelfde doel blijven om daar we dan werken aan nog sterke herse schemas over die bepaalde leest of. Want als we heel hard gaan versnellen, dan moeten we heel goed afspraken met leerkrachten die naonskomen op welke vlakke moegese versnellen. En wat dan het jaar naden, want dat versterkt natuurlijk zichzelf om een duur. Ja, lopen ze binnen een jaar voor. Dus wat kunnen we toch doen om die kinderen dieper te laten leren? Wat ook nog ons goon is, is dat ze het niet altijd op inhoud moet gaan. Maar ik heb zelf bijvoorbeeld in mijn klasvroeger. Ik heb probeerd om kinderen die sterker waren, om die bijvoorbeeld een voorbeeld toets te laten opstellen. Mijn verschillende soorten oefeningen, ze hebben gingen dan. Ik heb altijd wiskende gegeven, ze mochten zelf vraagstukken, bedenken. En ze mochten dan ook een correctiebundel daarbij maken. En die zetten we dan op smart school en dat was eigenlijk een extra oefentuits voor minder sterke leerlingen. Of dat zij bijvoorbeeld kenniskaartjes maakte, die we dan ook op smart school zetten. En die dan minder sterke leerlingen kan de printe en die dan kan de gebruiken. Dus een mind met platen maken over de leerstof bijvoorbeeld die bevragen daarbij laten bedenken. Dat zij eigenlijk voor meta-conitieve ondersteuning zorgen voor een klasgenoten. Van ons ook wel echt heel fijn. Want telk is ingezet worden als buddie telk is meer om te moegen gaan om antwoorden te geven. Of kinderen die het minder makkelijk of minder snel leren om die te ondersteunen. Vindt het ook niet altijd fijn, maar die kan als leerkracht misschien wel nadenken. over mogelijk heren om daar variatie in te brengen en mijn ervaring was. Dat als ze zo meta-conitieve ondersteuning kon de bieden. In vijandmind map of de andere dingen die ik noemde, dat ze daar ook wel echt heel fijn van. En ik zei dat ook van ja, als je echt goede vragen bedenkt. Ik ze aan het alkeer. Wel, dat zal ik ook wel een zorgen door betekzame. Dat daar één vraag eruit komt. En ervand is dan ook natuurlijk nog wel extra fijn. Wanneer ze dat ook allemaal mogelijk heren, ik heb nog een keer een keer een heel interessant. Dat was een handboek, een duitshandboek. Wiskende ook. Die hadden een correctiebundel, maar die hadden ook een correctiebundel. Mijn enkel tips. En dus die sterke leerlingen kreeg je eigenlijk alleen maar een correctiebundel met tips. Als je tip onvoldoende was, dan was ze gaan kijken naar de echt correctiebundel. Dat zijn allemaal manieren. Dat is natuurlijk wel weer wat meer voorbereiding zo werken als je zelf wilt doen. Maar ja, het zijn interessante dingen om toch te proberen voor diversieping te zorgen of te gebruiken of onostenig wachten laten. Wat was het kan dat probleem van bij die franciatie, dat je in de datwisboren kreert en dat je dan probleem gaat om die terugzame te brengen? Dat je een deertjes sterke leerlingen op en veel vroeg opvaken, lees of twee, drie of leerstof uikemeids voor op. En dan zwaak je gelopen achteruit en opbreng je dat dan nooit terugzagen want die moet je dan toch een toetshandel klas geven. Wat jullie nu vertellen als verantens eigenlijk als je goed die francierd door ondersteuningen te bieden en door uitdaging te bieden binnen hetzelfde leerstof onderdeel eigenlijk? Dan heb je dat probleem. Als je zorgt dat je vragen afstracter zijn of je gaat verdiepen of verbreden of je gaat. Ik weet dat ik ook niet dief uitdagen en tegelijkertijd je zwaak en ga je ondersteunen, dan blijven je eigenlijk altijd op hetzelfde route. Dat is eigenlijk wat zelfde plaats maar de weg is misschien een beetje anders maar ze zijn wel bezijl de moment dat zelfde niveau eigenlijk. Veel minder complex voor de leerkrelds. Ook je boudt makkelijker overzicht waarbij je makkelijker diep kan keren en keneren je nu lesen zelf. Je kan ver snel hem zoals Christel Zijd dat je goed je afspraken voor nodig die je schoolbred te maken hebt. Daar wil je ook wel heel relegkant, zavonds mijn het vertiepen van de leerstof, als leerlingen al goed de standardperceduren tot honderd kennen moet je altijd duizend gaan of ga ik elen moeilijke vragen stukken voor ze in tot honderd. En dan blijven ik wel binnen dezelfde leerstof onderdeel iets gemakkelijker voor het vervolg van het leerstpreces. Dat is ook wat benoengeld wordt met die tramplewaarden. Dat we echt na gaan. Vanaf hier gaan we in Oefenen. De paal de leerlingen gaan krijgen meen ondersteuning, andere gaan meer verdiepen. Maar op het einde van de les, op op het einde van twee lesen komen we terug samen. Je daag we bijvoorbeeld op het einde van de les ook eens vragen van kijk, wie heeft er over deze leerstof een adertje onder het gras ontdekt? Dat die graag met de rest van de klas deelt, maar dat is die groep, ook naar de warm leer klimatu, dat die groep wel voelt, dat die samen ver te gaat. Tijnhonderd heeft het eigenlijk een gezegd dat we allemaal gewerkt rond. Stel ik aan het pittag, waarom sommigen op een verdiepende manier, andere nog in de basis, nog aan de formularen, te deren. Maar eigenlijk hebben ze allemaal gewerkt rond hetzelfde. Ja, wat ik nu eigenlijk benoemd, dan merk ik nu te wij loud over bezig zijn, dat we nu alleen maar differenzeren als het gaat over oefeningen. Je kan natuurlijk ook al differenzeren in die instructie, dat je een kort instructie geeft één uitgewerkt voorbeeld, dat je dan even begrept checkt in oefeningen laat samen maken, omdat socialeeren alweer te bevorderen. Maar dat je dan wel leerlinge sneller laat doorgaan, want sneller leerlingen zijn niet gebaad bij veel meer oefeningen van hetzelfde, nog een uitgewerkt voorbeeld. Met de leerkraag komen we op dat expertise reversal effect. Ik kan ze als leerlingen een beetje schade, als leerlingen worden traag, als ze het traag moeten volgen. Ze leer veel meer bij door als sneller naar oefeningen te gaan, dus het hoeft niet alleen in de oefeningen te zitten, die differenzjaars kan ook wel al een beetje vroeger in die instructievase zitten ook. Koud ik alleen misschien opassen, daarom is het extra niet genaan, dat we er niet als extra benomen. Ik weet nu hoe blij dat jullie allemaal zijn met extra werk. Dus we proberen een beetje naar gelijke werktijden te werken, proberen een beetje de kernleerstof als inderdaad aan het wonen van, die is het doel van de les, die zijn oefeningen die daarmee overeen stemmen en je beheerst datoeel prima. Die andere oefeningen hoeft niet te maken, maar deze onrecht, die verdepend is, die waaf verwacht ik van jou. En daar zou je eigenlijk even strengen moeten zijn, dan ben ik inderdaad die alle andere oefeningen te maken. Want extra, dan lijkt ook een beetje vrij blijvend. Als we vrij blijvend iets moeten doen, waar ik niet super hard nadenken, maar bij het taging, dat draagt welwillig. Waar vaak minder over gesproken wordt te laatste tijd, is echt kinderen toch laten nableven om bepaalde hiaten weg te werken. En Marik is mij als eftar bij jou rinke, onlang zijn hele knappen potkost over opgenomen. Alled ging niet helemaal daarover, het laatste halvuur ging het daar wel over. Als we kinderen echt terug willen bijlarken, als we zien, wat kijk, binnen die les tijd lukt het niet. En zijn echt basisvaardigheden, die kinderen nodig hebben om verder te kunnen in lager onderwijs, maar ook in seconde, in onderwijs. Kunnen we dan toch zeggen naar oorders toe, waar kijk, we willen u kind heel graag bijlarken. Vaak ze naar meerdere kinderen in de klas dan. We gaan het toch na schooltijd doen bijvoorbeeld of tussen de middag. Want we willen u ook kind zo rap mogelijk terug het niveau laten halen van de rest. Dat het verder terug mee kan in de plaats van 'daar liefde vol achterlaten'. Dus ik denk dat oorders als ze meerdere als oorders worden voorstellen, ik zal daar ontzettend blijven zijn. Dus dan in loge pedie wordt bijvoorbeeld ook wel na de lesgegeven, is dan niet stigmatiseerd of minder stigmatiseerd. Hoeft misschien voor die verlengende instructie tijd ook niet te zijn. Als we zeggen dat het beperkt in tijd, we proberen dat verdurende een maand en dan koppel op het terug naar oorders bijvoorbeeld. Zoveel staan we hiermee, kan dat ook. En dan dan natuurlijk beperkt tot een aantal de essentieële vaartigheden die kinderen nodig hebben om niet achter te blijven. Om toch tot die beheersing te komen en zo verder mee komen. Want dat is wel iets belangrijk in natuurlijk die sprijdstand. Zomt is die echt zo daane groot dat het heel moeilijk is om het sluit in de klaft te kunnen oplossen. Maar dat is dan, als we heel goed weten waar de geëaathe zitten, we kunnen die leerlingen toch buiten de les. En ik ga geen uitpraten doen moeten dan tussen de middagen om 4 uur te te niet toe, maar toch. Dat terug op de afgelderverleggen van kan dat. Die gehoordig wordt daar vaak niet appressierde of op schoolen niet meer gedaan. Maar als het met het doel is om kinderen te snel terugbijten halen, waarom eigenlijk niet. Als het tijd vliegt, verbijsen we niet de laatste stelling bij halen. Die gaat over de. We zitten in Europa nootisch school op een leeraropleiding. Ik had over de waar heeft de start in de leerar noot aan. Zodat vragen, dan zie we ook daar dat meer dan 50 procent of net 50 procent aangevjaakt. Die franciatie zegt wel iets waar ik moet mee heb, waar ik het moeilijk mee heb. Of waar een leerar ondersteuning voor noode of noode geeft. Erkenbaar en tond dat aan hoe complex die franciatie is. En waarom hebben we dit gesprek voor? Ik denk zeker wel, die franciatie is een hele moeilijke voelen we met zijn allen aan. En onderzoek bewijst dat ook wel een beetje. Het is zo dat Dr. Bim van der Griffet en Hannah Bijlsma in Nederland. En creatides, cremer en Antonio, dat zijn onderzoekers die heel hard bezig zijn met kenmerken van leskwaliteit. En die komen global gezien wel op een aantal factoren. Die belangrijk zijn voor leskwaliteit en dan zie je bijvoorbeeld over structuureren, deurlijke uitleg, voorbeelden geven. Wat ik je noot checken van begrip, organisatie, dat tijdmanagement. En dat de basis heel sterk moet zijn, dat je daarmee begint. En als de kwaliteit van je lesse steigd, dat je dan ziet, dan leerlingen dat steeds meer of leerkrachten, sorry. Dat steeds meer gaan toepassen, kwaliteit, volleren vragen gaan stellen, bijvoorbeeld. En dat dan nog een niveauje hoog, dat je dan komt op die diferenciatie. Dus dat ook onderzoektoond dat die francieren eigenlijk een gevoorderde compatenie van lesgeven is. En dat we hebben gingen met die dertie? Ja, leerstrategie is een hoort daar ook bij het ook een moeilijke compatenie. Dus dat eigenlijk alles starten met het aanleer van de sterke directe instruxie. En dat stellen we veel vragen, al die zaken, die organisatie, klastmanagement, hoort daarbij. En dat als we daar heel veel inoefenen, dat we dan in de daad verder kunnen gaan naar die hoge compatenies, zoals de diferenciatie. En als we kunnen nadenken in een leerhaar enougheering, wanneer laten we onze studenten starten met die diferenciatie. Is het mogelijk? Ik weet er ook nog niet helemaal tant hoort om. Maar heel interessant om over na te denken, wanneer komt die diferenciatie in die leerhaar enougheering? Het gevaar is in een daad op plaats, op dag één over de begin van je moed, als je stakt voor de klast staat. Dan je moet de diferenciëren, waardoor je eigenlijk direct al een van de meest complexe vaardiggeed en complexe dingen vonder is, al op de tafelicht. Ja, dus de basis moet echt eerst heel sterk staan effectieve didactiek, klassicaal. De klastmanagement, die organisatie, dan iedereen denkt me hoe kan ik daarvoor zorgen en dan gaan we niet diferenciatie een plaatsje krijgen. Christen van de oorwegen, maar gezien, beurt heel veel danken voor dit gesprek. Heel graag, Frank. De leerhaar denkt. Een podcast van buurig rijdlijnen, een samenwerking met dieche tep flambe en artervalde kosoel.

Podcast Summary

Key Points:

  1. - Differentiatie heeft als doel elke leerling een bepaald beheersingsniveau te laten bereiken, ondanks onderlinge verschillen in voorkennis, motivatie en taalvaardigheid. - Er zijn twee benaderingen: divergente differentiatie (verschillende doelen per leerling) en convergente differentiatie (zelfde basisdoelen voor iedereen, met extra ondersteuning). - Convergente differentiatie wordt als rechtvaardiger beschouwd, omdat het uitgaat van hoge verwachtingen en gelijke kansen voor alle leerlingen. - De frequentie van differentiatie in de praktijk: 11% past het altijd toe, 39% vaak, 34% soms, 14% zelden en 1% nooit. - De meest gebruikte vorm is differentiatie op niveau (50%), gevolgd door tempo (28%); differentiatie op interesse wordt als het moeilijkst ervaren (39%). - Differentiatie op interesse en leerprofiel kan motiveren op korte termijn, maar werkt vaak belastend en levert op lange termijn minder op dan competentie- en succeservaringen.

Summary:

In deze aflevering van 'De Leraar Denkt' staat differentiatie centraal: hoe zorg je dat elke leerling leert en uitgedaagd wordt, terwijl de klas als geheel bij elkaar blijft? De gasten, Christel Van Hoiweg en een andere expert, bespreken de resultaten van een enquête onder leraren. Hieruit blijkt dat 11% altijd differentieert, 39% vaak en 34% soms.

Differentiatie is geen doel op zich, maar een middel om alle leerlingen dezelfde basisdoelen te laten bereiken. Er wordt onderscheid gemaakt tussen divergente differentiatie (verschillende doelen per leerling) en convergente differentiatie (gelijke doelen, met extra ondersteuning). De voorkeur gaat uit naar convergente differentiatie, omdat dit hoge verwachtingen stelt en stigmatisering voorkomt.

De meest gebruikte vorm is differentiatie op niveau (50%), gevolgd door tempo (28%). Differentiatie op interesse ervaren leraren als het moeilijkst (39%). Hoewel differentiatie op interesse of leerprofiel op korte termijn motiverend kan werken, zijn competentie- en succeservaringen op lange termijn belangrijker.

De experts benadrukken dat differentiatie begint bij het geloof in de leerbaarheid van elke leerling en dat leraren hun eigen gedrag moeten bewaken om te voorkomen dat lage verwachtingen de prestaties negatief beïnvloeden.

FAQs

Het doel van differentiatie is om elke leerling tot een bepaald niveau van beheersing te laten komen, ondanks de verschillen in voorkennis, motivatie of taalvaardigheid.

Bij divergente differentiatie passen we de doelen aan per leerling, met een andere finishlijn. Bij convergente differentiatie blijven de basisdoelen voor alle leerlingen gelijk, met extra ondersteuning om die te bereiken.

Hoge verwachtingen zorgen dat leerkrachten geloven dat alle leerlingen kunnen leren en dat zij daarin een cruciale rol spelen, wat het gedrag en de kansen voor leerlingen positief beïnvloedt.

Uit de resultaten blijkt dat 11% altijd differentieert, 39% vaak, 34% soms, en 14% zelden of nooit.

Je kunt differentiëren op basis van niveau, tempo, interesse of leerprofiel. Niveau en tempo worden het meest toegepast, interesse wordt als moeilijkst ervaren.

Interesse kan motivatie op korte termijn verhogen, maar op lange termijn zijn succeservaringen en competenties sterker bepalend voor motivatie. Het kan ook de lat verlagen en extra werklast geven.

Chat with AI

Loading...

Pro features

Go deeper with this episode

Unlock creator-grade tools that turn any transcript into show notes and subtitle files.